Wie op fiscaal gebied op zoek is naar de zevende hemel, moet 'auteur' of 'kunstenaar' worden. De inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten worden immers, in vergelijking met gewone beroepsinkomsten, bijzonder laag belast. Op een gewone bezoldiging bedraagt de belastingdruk in hoofde van natuurlijke personen al gauw 50 procent. Vermeerderd met de aanvullende gemeentebelasting die in de meeste steden en gemeenten schommelt rond 8 procent, gaat het om een totale belasting van 54 procent.
...

Wie op fiscaal gebied op zoek is naar de zevende hemel, moet 'auteur' of 'kunstenaar' worden. De inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten worden immers, in vergelijking met gewone beroepsinkomsten, bijzonder laag belast. Op een gewone bezoldiging bedraagt de belastingdruk in hoofde van natuurlijke personen al gauw 50 procent. Vermeerderd met de aanvullende gemeentebelasting die in de meeste steden en gemeenten schommelt rond 8 procent, gaat het om een totale belasting van 54 procent. Bij inkomsten uit auteursrechten die door natuurlijke personen genoten worden, bedraagt de basisbelasting (in de meeste gevallen) slechts 15 procent. Bovendien geldt voor de auteursrechten een zeer aantrekkelijk stelsel van kostenaftrek. Wie zijn werkelijke kosten niet bewijst, heeft recht op een forfaitaire kostenaftrek die gelijk is aan 50 procent op de eerste schijf van (nog te indexeren) 10.000 euro. Op de daaropvolgende schijf van (ook nog te indexeren) 10.000 euro mag vervolgens nog eens 25 procent kosten in aftrek worden gebracht. Dat betekent, dat de belastingdruk op de eerste schijf van 10.000 euro daalt van 15 naar 7,5 procent. Bovendien is op deze belasting voorlopig (meestal) geen aanvullende gemeentebelasting verschuldigd. In de sfeer van de personenbelasting is het immers de bedoeling dat de belasting op inkomsten uit auteursrechten bij wijze van 'roerende voorheffing' ingehouden wordt. Daar waar dat effectief gebeurt, en de roerende voorheffing ook daadwerkelijk overeenstemt met de uiteindelijk verschuldigde personenbelasting, werkt de ingehouden roerende voorheffing bevrijdend. Dat heeft onder meer tot gevolg dat de betrokken auteursrechten niet op het aangifteformulier in de personenbelasting moeten worden vermeld. Op deze manier ontsnappen zij aan aanvullende gemeentebelasting. Op inkomsten die onder toepassing vallen van de bevrijdende roerende voorheffing, en daarom niet aangegeven hoeft te worden, is geen aanvullende gemeentebelasting verschuldigd. Straks zal dat anders zijn. Vanaf het volgende aanslagjaar moeten alle roerende inkomsten, inclusief de inkomsten uit auteursrechten, opnieuw op het aangifteformulier in de personenbelasting vermeld worden. Ongeacht of ze wel of niet de roerende voorheffing ondergaan hebben. Behoudens ten aanzien van intresten en dividenden zal dat tot gevolg hebben, dat op deze inkomsten alsnog aanvullende gemeentebelasting verschuldigd zal zijn. Maar dat is dus voor later. Vandaag beperkt de belastingdruk zich (meestal) tot 15 procent. En die daalt, zoals gezegd, onder invloed van het aftrekbarekostenforfait, op de eerste schijf van 10.000 euro tot amper 7,5 procent. Daar wil iedereen voor tekenen. Vandaar dat het aan de poort van deze fiscale zevende hemel dringen is om binnen te geraken. Wie wil weten of hij ook in aanmerking komt, moet gewoon kijken naar de algemene auteursrechtenwet. Al wie auteursrechtelijk beschermde werken in de zin van deze wetgeving creëert, heeft in principe toegang tot het fiscale gunststelsel. Maar zoals bij elke wetgeving heerst ook hier een grijze zone. Zo is bijvoorbeeld de vraag gerezen of iemand die op een seminarie spreekt, en daarvoor een vergoeding ontvangt, ook een beroep kan doen op de gunstige fiscale regeling voor auteursrechten. Daarover lopen de meningen in de praktijk sterk uiteen. Interessant om te weten, is dat de Rulingcommissie onlangs heeft laten weten dat het voor haar aanvaardbaar is dat de helft van de overeengekomen vergoeding bestempeld wordt als een inkomen uit de cessie of concessie van auteursrechten. Althans op voorwaarde dat de spreker zijn betoog ondersteunt met een substantiële syllabus waarin hij zijn standpunten uiteenzet; en op voorwaarde dat hij de organisator van de seminarie toelating geeft om die syllabus onder de deelnemers te verspreiden. En wat dan met de andere helft van de vergoeding? De Rulingcommissie gaat er blijkbaar van uit, dat die helft een gewone prestatievergoeding is, die aan de gewone regels van belastingheffing onderworpen is. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. www.fiscoloog.be De auteursrechtenwet bepaalt wie wel of niet in aanmerking komt.