O il is the new Greece' is de veelzeggende titel van een recent analistenrapport van HSBC. De vrees is begrijpelijk. De oliemarkt is nerveus, de spanning met Iran loopt hoog op. De prijs van de Brentolie schoot op 1 maart met meer dan 5 dollar per vat omhoog naar 128 dollar, na een Iraanse melding dat explosies een vitale Saoedi-Arabische pijpleiding hadden vernietigd. Nadat de Saoedi's het bericht ontkend hadden, daalde de prijs weer, maar tegen 125 dollar is olie nog altijd 16 procent duurder dan aan het begin van het jaar.
...

O il is the new Greece' is de veelzeggende titel van een recent analistenrapport van HSBC. De vrees is begrijpelijk. De oliemarkt is nerveus, de spanning met Iran loopt hoog op. De prijs van de Brentolie schoot op 1 maart met meer dan 5 dollar per vat omhoog naar 128 dollar, na een Iraanse melding dat explosies een vitale Saoedi-Arabische pijpleiding hadden vernietigd. Nadat de Saoedi's het bericht ontkend hadden, daalde de prijs weer, maar tegen 125 dollar is olie nog altijd 16 procent duurder dan aan het begin van het jaar. Bij de inschatting van de gevaren die duurdere olie met zich brengt, moeten vier zaken in het oog gehouden worden. Wat stuwt de olieprijs omhoog? Hoe ver kan hij nog stijgen? Wat is de waarschijnlijke economische weerslag van de stijgingen tot nu? En welke schade kunnen toekomstige stijgingen aanrichten? Het is ten eerste belangrijk om te weten wat de hogere prijzen veroorzaakt. Stokkende aanvoer, bijvoorbeeld, schaadt de groei veel meer dan hogere prijzen die het gevolg zijn van een aantrekkende vraag. Een uitleg die vaak gegeven wordt voor de huidige toename, is dat het gulle beleid van de centrale banken de olieprijzen opgestuwd heeft. In de voorbije maanden hebben de grote centrale banken ofwel liquiditeiten in de economie gepompt, geld gedrukt om obligaties te kopen ( quantitive easing, QE), of beloofd dat ze de rente laag zullen houden. Die toevloed van goedkoop geld, zo luidt de redenering, heeft de beleggers naar harde activa, en vooral dan olie, gedreven. Maar aangezien de markten vooruitziend zijn, zou de aankondiging eerder dan de toepassing van QE de olieprijzen al in beweging moeten zetten. En inderdaad, de voorzitter van de Federal Reserve, Ben Bernanke, stelde vorige maand de markt teleur door niet te zin-spelen op een nieuwe ronde van QE. Als het bovendien zo is dat de prijzen aangejaagd worden door speculanten, dan zou dat een toename van de olievoorraden moeten veroorzaken, net het omgekeerde van wat in werkelijkheid gebeurde. Het kan zijn dat de centrale banken onrechtstreeks een invloed hebben gehad op de olieprijs door de wereldwijde groeiverwachtingen te verhogen, die op hun beurt de verwachtingen over de vraag naar petroleum aanwakkerden. Indirecte aanwijzingen ondersteunen die thesis. De recente toename van de olieprijzen viel samen met groter optimisme over de wereldeconomie: zowel een eurozonecatastrofe als een harde landing in China lijken minder waarschijnlijk en het Amerikaanse herstel lijkt op stevige grond te staan. De lichtjes rozige groeivooruitzichten zijn maar een deel van het verhaal. Een belangrijker aanleiding voor duurdere olie waren de verstoringen van de aanvoer. Alles bij elkaar heeft de petroleummarkt in de voorbije maanden per dag meer dan een miljoen vaten aanvoer verloren. Een resem moeilijkheden, die niets te maken hadden met Iran, gaande van een dispuut over een pijpleiding in Zuid-Soedan tot mechanische problemen in de Noordzee, hebben zowat 700.000 vaten per dag van de aanvoer afgetopt. Anderzijds komen per dag zowat 500.000 vaten Iraanse olie tijdelijk niet op de markt wegens de weerslag van de Europese sancties en een discussie over betalingen met China. De buffer van de aanvoerreserve is erg dun. In de rijke landen staan de olievoorraden op een vijfjarig dieptepunt. De omvang van de reservecapaciteit van de OPEC is niet bekend. Saoedi-Arabië pompt wel ongeveer 10 miljoen vaten per dag op en dat is bijna een recordvolume (zie grafiek). Maar er dreigt intussen wel een veel grotere verstoring van de bevoorrading mocht Iran de Straat van Hormuz sluiten. Daar passeert elke dag het equivalent van 17 miljoen vaten olie, zo'n 20 procent van de wereldtoevoer. Zelfs een tijdelijke afsluiting kan al een verstoring teweegbrengen die elke vorige olieschok in de schaduw zou stellen. Bij het Arabische olie-embargo van 1973 ging het bijvoorbeeld om minder dan 5 miljoen vaten per dag. Het is niet gemakkelijk om die verschillende factoren af te zonderen, maar Jeffrey Currie van Goldman Sachs schat toch dat de grondregels van vraag en aanbod de olieprijzen tot ongeveer 118 dollar per vat hebben opgedreven. Hij denkt dat de bijkomende stijging toe te schrijven is aan de bezorgdheid over Iran. Als dat zo is, dan kan de olieprijs enkele dollars dalen als de relaties met Iran verbeteren, maar toch in de buurt blijven van 120 dollar. Over het algemeen is de schade die de prijsstijgingen al aangericht hebben beperkt. Een vuistregel zegt dat een aangehouden toename van de olieprijs met 10 procent tijdens het eerste jaar 0,2 procent van de wereldgroei afschaaft, grotendeels omdat duurdere olie inkomsten verschuift van de olieverbruikers naar de producenten, die geneigd zijn om minder te besteden. Voorlopig wordt elke eventuele weerslag zo goed als zeker gecompenseerd door verbeteringen elders, meer bepaald de leniging van de eurocrisis. Ondanks de duurdere olie staan de wereldwijde groeivooruitzichten er nu beter voor dan aan het begin van het jaar. De weerslag op groei en inflatie verschilt van land tot land. In de Verenigde Staten, een netto-invoerder die brandstoffen slechts licht belast, is de standaardregel dat een stijging van de olieprijs met 10 dollar (wat overeenstemt met een toename van de benzineprijs met 25 cent), ongeveer 0,2 procent van de output afhaalt tijdens het eerste jaar en 0,5 procent tijdens het tweede jaar. Dat is van aard om een economie, waarvan vrij algemeen verwacht wordt dat ze dit jaar met 2 procent zal groeien, weliswaar te vertragen maar zeker niet te vellen. Er zijn verschillende redenen waarom de Verenigde Staten duurdere olie beter kunnen opvangen dan in de voorbije jaren. De oprisping van de olieprijzen is veel kleiner dan in 2011 en 2008, en de toenemende werkgelegenheid bezorgt de consumenten meer inkomen waarmee ze hun brandstoffen kunnen betalen. De Amerikaanse economie wordt bovendien steeds minder energie-intensief en minder afhankelijk van de invoer. Het olieverbruik is in de voorbije twee jaar gedaald, ook al steeg het bbp. De Amerikanen rijden minder en ze kopen zuiniger auto's. De netto-invoer van olie ligt duidelijk onder de piek van 2005 en dat betekent dat een groter deel van het geld dat de Amerikanen uitgeven aan duurdere olie, binnen de grenzen blijft. De ontginning van overvloedige aardgasreserves heeft bovendien geleid tot een scherpe daling van de gasprijzen. Samen met de ongewoon zachte winter heeft dat de factuur voor huisverwarming uitzonderlijk laag gehouden. In januari bereikte het aandeel van de consumentenbestedingen voor energieproducten het op een na laagste peil in vijftig jaar. Al die factoren betekenen niet dat de Verenigde Staten immuun zijn voor piekende olieprijzen, maar ze geven wel aan dat de impact van de prijsstijgingen die tot nu toe plaatsvonden bescheiden zal zijn. Dat is anders aan onze kant van de oceaan. De Europese landen, die petroleum zwaarder belasten dan de Verenigde Staten, worden doorgaans minder in hun groei getroffen door schommelingen van de olieprijs. Dit keer kunnen ze echter relatief zwaarder geraakt worden omdat de meeste economieën al stagneren of inkrimpen. Erger is bovendien dat de zwakste economieën van Europa nu al de grootste netto-invoerders zijn (zie grafiek). Griekenland bijvoorbeeld is bijzonder sterk afhankelijk van ingevoerde energie. De prijsstijgingen die we tot nu toe gekend hebben, zullen de recessie in de eurozone dieper maken. Als de prijzen nog verder stijgen, wordt het alleen maar erger. In de opkomende economieën is de toestand zo mogelijk nog meer verschillend. De olie-exporteurs, van Venezuela tot het Midden-Oosten, winnen bij een hoge olieprijs; de olie-invoerders zien hun handelsbalans verkommeren. In 2008 en 2011 waren de duurdere brandstoffen nefast voor de inflatie in de opkomende economieën. Nu is dat minder een bekommernis, grotendeels omdat de voedselprijzen, die in de meeste ontluikende economieën een beduidend groter deel van de verbruikskorf uitmaken, stabiel zijn. Sommige landen dreigen niettemin in de problemen te geraken. Op korte termijn moeten de zwaarst getroffen economieën in Oost-Europa gezocht worden. Die krijgen niet alleen te maken met duurdere olie, maar ook met de verzwakking van de Europese exportmarkten. Ook India is een zorgenkind. Brandstoffen zijn er een belangrijk bestanddeel van de index van de groothandelsprijzen. Dat wil zeggen dat de inflatie zal toenemen als de hogere olieprijzen doorgeschoven worden naar de stookoliekosten. Als dat niet volledig gebeurt, dan zal de begroting getroffen worden. India regulariseert de prijs van diesel en kerosine, onder andere via zware subsidies. Volgens Deutsche Bank is de dieselprijs er sinds januari 2009 met 31 procent gestegen, terwijl de prijs van de ruwe olie uitgedrukt in roepie 180 procent toegenomen is. Het verschil is het gevolg van subsidies, en een en ander fnuikt de Indiase inspanningen om het begrotingstekort terug te dringen. Olie is dus niet het nieuwe Griekenland. De duurdere olie brengt voorlopig weinig schade toe aan de wereldwijde groei. Maar de broze economieën in Europa zijn er allerminst bij gebaat. En als de Straat van Hormuz gesloten wordt, dan zal de opflakkering van de olieprijzen een abrupt einde maken aan het wereldwijde herstel. Lees Dossier MoneyTalk 'Beleggen in olie'THE ECONOMISTDe Europese landen kunnen relatief zwaarder geraakt worden omdat de meeste economieën er al stagneren of krimpen.De Amerikaanse economie wordt steeds minder energie-intensief en minder afhankelijk van de invoer.