De ideologische kloof binnen de regering-Dehaene II neemt stilaan de vorm aan van een canyon. Illustratief voor deze penibele situatie zijn recente uitspraken omtrent de tewerkstellingsproblematiek van enerzijds SP-voorzitter Louis Tobback en anderzijds gouverneur Fons Verplaetse van de Nationale Bank, de man waarvan men bij de CVP kan vernemen dat inzake financieel-economische dossiers niemand hem serieus weerwerk kan (durft) bieden. Tobback blijft het "crapuleus" vinden dat hoge winsten en verdere rationaliseringen zich samen manifesteren en eist dat loonmatiging onverbrekelijk wordt verbonden a...

De ideologische kloof binnen de regering-Dehaene II neemt stilaan de vorm aan van een canyon. Illustratief voor deze penibele situatie zijn recente uitspraken omtrent de tewerkstellingsproblematiek van enerzijds SP-voorzitter Louis Tobback en anderzijds gouverneur Fons Verplaetse van de Nationale Bank, de man waarvan men bij de CVP kan vernemen dat inzake financieel-economische dossiers niemand hem serieus weerwerk kan (durft) bieden. Tobback blijft het "crapuleus" vinden dat hoge winsten en verdere rationaliseringen zich samen manifesteren en eist dat loonmatiging onverbrekelijk wordt verbonden aan harde garanties voor meer werk. Verplaetse van zijn kant hield de Kamercommissies van Financiën en Begroting voor dat het industriële zelfmoord zou zijn om te verwachten dat loonmatiging onmiddellijk nieuwe banen oplevert. De nota-Dehaene die op het banenoverleg ter tafel kwam en de ambitieuze doelstelling bevat om binnen vijf of zes jaar tot een halvering van het aantal uitkeringsgerechtigde werklozen te komen (wat nog iets anders is dan de halvering van de werkloosheid), is doordrenkt van die tweespalt verpersoonlijkt door Tobback en Verplaetse. In die nota krijgt het thema van de concurrentiekracht van onze bedrijven ruimschoots aandacht maar Dehaene verwijst inzake het beleidsmatige vooral naar het advies van Robert Tollet, voorzitter van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Tollet formuleerde dit advies op persoonlijke titel nadat de sociale partners binnen die CRB niet tot nieuwe loonafspraken konden komen. Omtrent die nota-Tollet dient men toch de nodige reserves in acht te nemen. Ondanks een opeenstapeling van moeilijke omschrijvingen en complexe formules gaat ze bijvoorbeeld volkomen voorbij aan de huidige loonhandicap die zich, afhankelijk van het gehanteerde criterium, tussen de 10 % en 15 % situeert (zie ook Trends, 21 maart 1996). Het heeft geen zin mooie afspraken voor de toekomst te maken als men compleet op het verkeerde been van start gaat. Voorts gaat Tollet ook volledig voorbij aan de problematiek die ontstaat wanneer de loonstijging bij de drie voornaamste concurrenten (Duitsland, Nederland, Frankrijk) lager is dan de prijsstijging. Zoals de jongste jaren aangetoond, doen we er echter wel best aan rekening te houden met de mogelijkheid tot reële loondaling bij onze concurrenten. De grootste lacune in de nota-Tollet betreft de toepassingsmodaliteiten van de wet op het concurrentievermogen. Deze wet zoals we die thans kennen is eigenlijk nog niet zo slecht. Het ontbreekt gewoon aan dwingende automatismen om, als de concurrentiepositie echt uit de haak springt, onmiddellijk tot correcties te komen in plaats van te wachten tot de gevolgen van de scheeftrekking zichtbaar worden. Het is dan ook onbegrijpelijk voor iemand als Robert Tollet om "geen mechanistische regels inzake loonomkadering" te willen creëren. Even verder lezen we in de nota dat "wanneer een overschrijding van meer dan x % wordt vastgesteld, de interprofessionele sociale gesprekspartners zouden onderhandelen over een nieuwe loonomkadering die de ontsporing op termijn kan bijsturen. Als de centrale onderhandelingen tussen de sociale gesprekpartners zouden vastlopen, zou de regering in de loonvorming ingrijpen". Dit is exact het noodlottige draalscenario dat de huidige wet op het concurrentievermogen heeft doen verworden tot een onding. JVO