De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.e aangifte in de personenbelasting die voor het aanslagjaar 2005 moet worden ingediend, ziet er volledig anders uit dan de vorige jaren. Het vertrouwde formulier ruimt plaats voor een document waarop nog slechts een aantal codes voorkomen waarachter een kruisje moet worden gezet of een cijfer moet worden ingevuld. Die werkwijze moet de administratie toelaten de papieren aangifte van belastingplichtigen die nog niet overgestapt zijn naar de elektronische aangifte, op een vlotte manier in te scannen. DECUMULATIE. De wijzigingen aan het aangifteformulier hebben nog een tweede oorzaak. Vanaf het aanslagjaar 2005 geldt in de personenbelasting een volledige decumulatie: niet alleen de beroepsinkomsten worden afzonderlijk per echtgenoot vastgesteld en belast, dat gebeurt nu ook voor de onroerende, roerende en diverse inkomsten. De inkomstencategorie waarvoor die wijziging het meest voelbaar zal zijn, is die van de onroerende inkomsten. Een echtpaar met onroerend goed werd tot en met aanslagjaar 2004 gezamenlijk belast op het geheel van de inkomsten uit die onroerende goederen. Ongeacht of zij toebehoren aan de ene, dan wel aan de andere echtgenoot, of aan het eventuele gemeenschappelijk vermogen. De onroerende inkomsten werden toegevoegd aan de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest van deze laatste had, waarna het geheel aan het progressieve tarief van de personenbelasting onderworpen werd. Vanaf aanslagjaar 2005 wordt iedere echtgenoot apart op zijn onroerende inkomsten belast. Dat moet in veel gevallen tot een vermindering van de progressieve belastingdruk leiden. VERDELING. Met het oog op die gedecumuleerde belasting gebeurt de verdeling van de onroerende inkomsten als volgt. Elk van de echtgenoten is belastbaar op de onroerende inkomsten die hem eigen zijn als gevolg van het huwelijksvermogensrecht, én bovendien op de helft van de andere onroerende inkomsten (die dus niet eigen zijn). Belangrijk: in het wettelijke huwelijksstelsel zijn de inkomsten van eigen onroerende goederen niet eigen, maar gemeenschappelijk. Neem nu een echtpaar dat gehuwd is onder toepassing van het wettelijke stelsel. De vrouw erft tijdens het huwelijk een onroerend goed. Volgens de wet zijn geërfde goederen ook in het wettelijke stelsel eigen goederen. Het onroerend goed is dus eigen aan de vrouw. Maar de inkomsten van eigen onroerende goederen vallen in het wettelijke stelsel in het gemeenschappelijke vermogen. Zij zijn in het voorbeeld dus niet eigen aan de vrouw. Het gevolg: die vrouw is niet belastbaar op het geheel van het onroerend inkomen dat uit haar onroerend goed voortvloeit, maar elk van de echtgenoten is belastbaar op de helft. HERKWALIFICATIE. De nieuwe regeling heeft meteen ook onverwachte en verrassende gevolgen voor de herkwalificatieregeling van onroerende inkomsten in beroepsinkomsten. Als een vennootschapsmandataris (een bestuurder, zaakvoerder...) een onroerend goed aan zijn vennootschap verhuurt en hij daarvoor een hoge huurprijs vraagt, dan wordt een gedeelte van die huurprijs in een beroepsinkomen geherkwalificeerd. Het gevolg: de forfaitair aftrekbare kosten zijn lager én op het geherkwalificeerde gedeelte moeten in principe ook sociale bijdragen worden betaald. De herkwalificatie vindt plaats in de mate dat de huurprijs hoger is dan vijf derde van het gerevaloriseerde kadastraal inkomen. Voor het aanslagjaar 2005 bedraagt de revalorisatiecoëfficiënt 3,45. Stel dat een zaakvoerder een gebouw met een kadastraal inkomen van 2000 euro aan zijn vennootschap verhuurt. De grens ligt dan op (2000 x 5/3 x 3,45) 11.500 euro. Vraagt hij op jaarbasis meer huur, dan wordt het gedeelte dat hoger is, niet belast als een onroerend inkomen, maar als een beroepsinkomen. EIGENDOM. De herkwalificatieregeling kon tot dusver ook slechts spelen voor zover en in de mate dat het onroerend goed eigendom is van de vennootschapsmandataris die het verhuurt. De herkwalificatieregeling heeft dus in principe geen gevolgen als het onroerend goed toebehoort aan de andere echtgenoot (die zelf geen vennootschapsmandataris is). Maar in de nieuwe regeling gebeurt de verdeling van de onroerende inkomsten niet altijd meer op basis van het eigendomsrecht. Zoals uiteengezet, vallen de inkomsten van eigen onroerende goederen in het wettelijke stelsel in het gemeenschappelijke vermogen, en zijn ze fiftyfifty belastbaar in hoofde van elk van beide echtgenoten. Een voorbeeld: een zaakvoerder die gehuwd is onder toepassing van het wettelijke stelsel en die een eigen onroerend goed aan zijn vennootschap verhuurt ( eigen, omdat hij het al bezat vóór het huwelijk of omdat hij het als erfenis of schenking heeft verkregen). Tot en met aanslagjaar 2004 kwam de hele huurprijs voor de herkwalificatieregeling in aanmerking, vanaf aanslagjaar 2005 nog slechts de helft. Omdat - in het kader van de decumulatie - slechts de helft van de huur bij die zaakvoerder belastbaar is. Jan Van Dyck"De herkwalificatieregeling wordt in sommige gevallen gehalveerd."