Het heeft blijkbaar veel voeten in de aarde om een aanvaardbare regeling te vinden voor het berekenen van het belastbaar voordeel van alle aard dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen voor privédoeleinden.
...

Het heeft blijkbaar veel voeten in de aarde om een aanvaardbare regeling te vinden voor het berekenen van het belastbaar voordeel van alle aard dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een bedrijfswagen voor privédoeleinden. Volgens de formule die de wetgever eind vorig jaar invoerde, is het belastbaar voordeel gelijk aan de cataloguswaarde van het voertuig, vermenigvuldigd met een bepaald CO2-percentage, en vervolgens gereduceerd tot 6/7. De vraag is evenwel, wat onder 'cataloguswaarde' moet worden verstaan. De wetgever zei aanvankelijk dat deze waarde gelijk is aan de gefactureerde prijs, inclusief opties en btw, en zonder rekening te houden met kortingen. Binnen de kortste keren bleek de aldus omschreven 'cataloguswaarde' niet houdbaar. Zij leidt immers tot niet te verantwoorden discriminaties. Bij tweedehandse bedrijfswagens is de gefactureerde prijs uiteraard veel lager dan bij een nieuwe wagen. Het gevolg is dat bij een voertuig dat tweedehands is aangekocht het belastbaar voordeel veel lager is, dan wanneer hetzelfde voertuig destijds in nieuwe staat zou zijn aangekocht. Om dat probleem op te lossen is de regering op zoek gegaan naar een nieuwe omschrijving van de 'cataloguswaarde'. Die vindt men terug in het ontwerp van de programmawet dat rond deze tijd finaal zijn beslag krijgt in het parlement. Nu luidt het, dat de cataloguswaarde voor alle bedrijfswagens gelijk is aan de 'catalogusprijs', opnieuw inclusief opties en btw, en zonder rekening te houden met kortingen. Door in alle gevallen de catalogusprijs als uitgangspunt te nemen, heeft het geen belang meer of een bedrijfswagen in nieuwe staat, dan wel tweedehands is aangekocht. Nieuw is ook dat de cataloguswaarde verminderd mag worden met 6 procent per jaar anciënniteit, met dien verstande dat de vermindering nooit hoger mag zijn dan 30 procent. Anders gezegd, de anciënniteit van het voertuig waarmee rekening mag worden gehouden, bedraagt maximaal vijf jaar. Nieuw is bovendien dat de btw die in aanmerking genomen moet worden, nog slechts de 'werkelijk' betaalde btw is. Daarmee heeft men naar verluidt willen vermijden dat belasting betaald moet worden op basis van onbestaande btw. Maar bewust of onbewust is daarmee een nieuwe vorm van discriminatie binnen geslopen. De omvang van de werkelijk betaalde btw hangt immers af van de wijze waarop men de bedrijfswagen verworven heeft. Als hij in nieuwe staat is aangekocht, is de werkelijk betaalde btw veel hoger dan wanneer hij tweedehands wordt aangekocht. Daardoor zal de 'cataloguswaarde', en dus ook het belastbaar voordeel hoger of lager zijn al naargelang de vennootschap de bedrijfswagen nieuw of tweedehands heeft aangekocht. In sommige gevallen is er zelfs helemaal geen 'werkelijk betaalde btw'. Dat zal om te beginnen het geval zijn als de wagen tweedehands aangekocht wordt bij een particulier. Dat zal ook het geval zijn als een bedrijfswagen tweedehands wordt aangekocht bij een garagehouder en er toepassing gemaakt wordt van de zogenaamde 'margeregeling'. Die geldt onder bepaalde voorwaarden wanneer een garagehouder een wagen tweedehands aankoopt bij een particulier, en die wagen vervolgens binnen de uitoefening van zijn beroepsactiviteit opnieuw verkoopt: hij moet dan slechts btw afdragen over de door hem gerealiseerde 'marge'. Maar van die btw moet hij op zijn verkoopfactuur geen melding maken (anders zou de klant meteen weten hoe hoog zijn 'marge' is). De koper ziet dus ook in dat geval geen 'werkelijk betaalde btw' op zijn factuur verschijnen. In elk van beide gevallen zal het belastbaar voordeel van alle aard bijgevolg berekend worden zonder dat de catalogusprijs verhoogd wordt met btw. Conclusie: zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat, zal het belastbaar voordeel opnieuw in belangrijke mate verschillen, al naargelang de wijze waarop het voertuig verworven is (nieuw, tweedehands bij een gewone btw-plichtige, dan wel bij een particulier, of onder toepassing van de margeregeling). Is het dan echt niet mogelijk een niet-discriminerende regeling te vinden? De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. www.fiscoloog.be JAN VAN DYCKIn sommige gevallen moet helemaal geen rekening gehouden worden met de btw.