ONEERLIJKE KONKURRENTIE MET LAGE LONENLANDEN. Dreiging of dwaling ?

De bedrijfssluitingen en ontslagen zijn de voorbije weken weer niet meer te tellen. Vaak wordt daarbij verwezen naar de moordende konkurrentie met de lage-lonenlanden. Veelal ten onrechte, zo bewijst de Amerikaanse ekonoom Stephen Golub.

Een werknemer in de Verenigde Staten kost zijn werkgever gemiddeld 480 frank per uur. In China kost een werknemer aan de bedrijfsleider nog geen 30 frank. Velen menen dan ook dat vrijhandel de welvaart van de momenteel rijke naties in het gedrang brengt omdat producenten uit de derde wereld meedogenloos veel lagere prijzen vragen.

Deze vrees is eigenlijk gebaseerd op een verwarring tussen twee ekonomische begrippen : absoluut voordeel en komparatief voordeel, een onderscheid dat voor het eerst werd gemaakt door David Ricardo (1772-1823). De meeste ekonomen staven hun overtuiging dat alle landen voordeel hebben bij een vrije handel op dit onderscheid. Volgens de teorie zou het absolute voordeel (de algemene produktiviteitsverschillen tussen de verschillende landen) in de inkomstenverschillen moeten worden weerspiegeld, terwijl het komparatieve voordeel (variaties in de produktiviteitsverschillen per sektor) het patroon van de internationale handel bepaalt.

PROEF OP DE SOM.

Stephen Golub van het Swarthmore College in Pennsylvania testte de teorieën van het absolute en het komparatieve voordeel. We beginnen met het begrip absoluut voordeel. Als lage lonen ook automatisch lage kosten zouden betekenen, dan zouden de armste landen ter wereld de wereldhandel moeten domineren. Maar dat is niet zo omdat de verschillen in lonen ook de verschillen in produktiviteit weerspiegelen. In de landen met een opkomende ekonomie gaan lage lonen samen met een lage produktiviteit.

De reden voor dit verband tussen lonen en produktiviteit is dat wanneer de lonen in een ekonomie lager liggen dan de waarde van wat een extra werkkracht zou produceren, de bedrijven meer werknemers zullen willen aanwerven en de lonen zo doen stijgen. De internationale handel zal ook zo proberen te evolueren dat de arbeidskosten per geproduceerde eenheid op een gelijk niveau komen te staan. Wanneer de arbeidskosten in een land onder het wereldniveau liggen, zal de stijgende vraag naar goederen uit dit land, en bijgevolg ook de gestegen vraag naar arbeid er ofwel de lonen, ofwel de munteenheid doen stijgen.

Aan de hand van deze teorie toont Golub aan dat het zogenoemde “oneerlijke” voordeel van de landen in ekonomische expansie eigenlijk verre van oneerlijk is. Hij vindt in een hele reeks welvarende en ontwikkelingslanden inderdaad een ruime korrelatie tussen het niveau van de lonen en de produktiviteit (zie grafiek : De loonkloof). Daarbij wordt duidelijk dat de onderlinge verschillen in arbeidskosten veel kleiner zijn dan de loonkloof alleen laat vermoeden. Volgens Golub liggen de gemiddelde arbeidskosten per eenheid voor 1990 in India en de Filipijnen zelfs hoger dan in Amerika.

Een andere, veel geuite vrees is dat wanneer de ontwikkelingslanden ook met de nieuwste technologische ontwikkelingen zullen werken, hun produktiviteit tot westerse niveaus zal stijgen. Op die manier zouden ze een enorm kostenvoordeel krijgen. Toch lijken zowel teorie als praktijk erop te wijzen dat tegenover een gestegen produktiviteit ook hogere lonen of een sterkere munt zullen staan. De laatste twee decennia kende Zuid-Korea, dat de voorbije jaren zeer grote produktiviteitssprongen maakte, ook de grootste stijging inzake reële lonen. In de meeste landen met een opkomende ekonomie stegen de lonen zelfs sneller dan de produktiviteit, waardoor de kloof in arbeidskosten per eenheid met Amerika minder groot werd. Eén grote uitzondering is Mexico, waar de lonen na de schuldenkrisis van de jaren ’80 bergaf gingen.

Komparatieve voordelen.

Hoewel de gemiddelde arbeidskosten per eenheid in de verschillende landen in principe naar eenzelfde niveau zouden moeten evolueren, bestaan er nog altijd grote sektorale verschillen. De produktiviteitskloof met Amerika zal inderdaad van de ene sektor tot de andere grote verschillen vertonen. En dat leidt nu tot het komparatieve voordeel, de drijvende kracht achter de internationale handel. Wanneer de landen zich specializeren in goederen waarin ze al een relatief voordeel hebben deze waarin ze een hogere komparatieve produktiviteit hebben zullen ze er allemaal bij winnen.

De lonen zijn in alle sektoren ruwweg dezelfde, maar als bijvoorbeeld de produktiviteit van een ontwikkelingsland in de textielsektor vergeleken met die in Amerika boven het gemiddelde ligt, dan zullen de arbeidskosten per eenheid daar in de textielsektor lager zijn dan in Amerika. Aan de andere kant zal de produktiviteit van een ontwikkelingsland in meer gesofistikeerde sektoren zoals ingewikkelde machines onder het Amerikaanse niveau liggen. Dat wil zeggen dat Amerika een komparatief voordeel heeft. In teorie zullen landen netto-uitvoerders zijn van goederen waarvoor ze een komparatief voordeel hebben.

(c) The Economist

DE TEXTIELINDUSTRIE IN DE DERDE WERELD Lage lonen gaan samen met een lage produktiviteit.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content