Een arrest van het Antwerpse arbeidshof heeft de discussie over het prehistorische onderscheid tussen het arbeiders- en bediendestatuut weer doen oplaaien. Volgens het hof kan een arbeider met een job waarvan denkwerk een structureel onderdeel uitmaakt gerust het bediendestatuut krijgen. Een arbeider moet zelfs niet langer overwegend denkwerk verrichten om geherkwalificeerd te worden tot bediende. Een interessante piste voor veel arbeiders, want de ontslagregeling voor bedienden in België behoort tot de gunstigste in Europa. Daar waar die van de arbeiders de minst aan...

Een arrest van het Antwerpse arbeidshof heeft de discussie over het prehistorische onderscheid tussen het arbeiders- en bediendestatuut weer doen oplaaien. Volgens het hof kan een arbeider met een job waarvan denkwerk een structureel onderdeel uitmaakt gerust het bediendestatuut krijgen. Een arbeider moet zelfs niet langer overwegend denkwerk verrichten om geherkwalificeerd te worden tot bediende. Een interessante piste voor veel arbeiders, want de ontslagregeling voor bedienden in België behoort tot de gunstigste in Europa. Daar waar die van de arbeiders de minst aantrekkelijke is. Zo is de wettelijke opzegtermijn voor een arbeider met vijf jaar anciënniteit 35 dagen. Een lagere bediende geniet volgens de gangbare formule-Claeys van een opzegtermijn van zes maanden. Bij een hogere bediende ligt dat vaak nog iets hoger. Met als gevolg dat er zich een vreemde situatie voordoet op het vlak van werkzekerheid: bedienden die vaak beter opgeleid zijn en dus snel weer een job vinden, genieten meer bescherming dan arbeiders die meer kans hebben om in de langdurige werkloosheid terecht te komen. Het arrest zet druk op de sociale partners om werk te maken van een eenheidsstatuut, want het dossier bevindt zich al jaren op een dood spoor. Ook de politieke wereld roert zich. Twee senatoren van Open Vld hebben een resolutie ingediend om een einde te maken aan de twee statuten. De grootste kritiek van arbeidsmarktexperts is het storende effect van het onderscheid voor de flexibele werking van de arbeidsmarkt. En niet alleen omwille van de verschillende ontslagregelingen. Slechts weinig arbeiders stappen over naar het bediendestatuut (nog niet eens 1 %) en omgekeerd. Het arbeidersstatuut heeft ook een negatiever beeld, wat gevolgen heeft voor studiekeuzes en dus de instroom naar de arbeidsmarkt. Bovendien is de onderverdeling op zijn minst arbitrair. Zo is een kok een arbeider, maar een chef-kok een bediende. Net als een verpleegkundige. Maar een ziekenoppasser of een bestuurder van een ziekenwagen is een arbeider. Een verkoper is een arbeider, maar een kassier is dan weer een bediende. Dat de sociale partners, en zeker de vakbonden, in dit dossier op de rem staan, is niet verwonderlijk. Er is het verschil in ontslagregeling die voor bedrijven financieel een slok op de borrel kunnen schelen. Daarnaast speelt het onderscheid ook een rol bij de totstandkoming van cao's. Bij de vastlegging van de loonvoorwaarden bepalen leeftijd en anciënniteit de baremastructuur van bedienden voor 97 %. Bij arbeiders is dat slechts 8 %. Ten slotte verhindert de structuur van de syndicale organisaties een oplossing. De vakbondscentrales zijn voor een groot deel gebouwd op het onderscheid tussen arbeiders en bedienden. Als dat onderscheid ongedaan wordt gemaakt, betekent dit een aanzienlijke verschuiving van de machtsverhoudingen binnen de vakbonden. A.M.