Echtgenoten worden gezamenlijk belast. Dit wil zeggen dat hun belastbare inkomsten in de regel worden bijeengeteld en gecumuleerd tegen het progressief tarief van de personenbelasting worden onderworpen. In principe althans, want op die regel bestaan belangrijke uitzonderingen. Zo geldt de gecumuleerde belasting bijvoorbeeld niet voor de beroepsinkomsten. Die worden gedecumuleerd belast. Dit wil zeggen dat de beroepsinkomsten van de echtgenoot "die er het minste heeft" afzonderlijk worden gehouden en afzonderlijk tegen het progressief tarief van de personenbelasting worden onderworpen.
...

Echtgenoten worden gezamenlijk belast. Dit wil zeggen dat hun belastbare inkomsten in de regel worden bijeengeteld en gecumuleerd tegen het progressief tarief van de personenbelasting worden onderworpen. In principe althans, want op die regel bestaan belangrijke uitzonderingen. Zo geldt de gecumuleerde belasting bijvoorbeeld niet voor de beroepsinkomsten. Die worden gedecumuleerd belast. Dit wil zeggen dat de beroepsinkomsten van de echtgenoot "die er het minste heeft" afzonderlijk worden gehouden en afzonderlijk tegen het progressief tarief van de personenbelasting worden onderworpen. De inkomsten die wel gezamenlijk belastbaar zijn (de onroerende inkomsten bijvoorbeeld) worden vervolgens gevoegd bij de beroepsinkomsten van de echtgenoot "die er het meeste heeft" en worden op die wijze toch nog gecumuleerd belast.SCHEIDING.Het principe van de gezamenlijke belasting wordt volledig verlaten vanaf het jaar waarin de echtgenoten uit de echt scheiden. Vanaf dat jaar worden al hun inkomsten afzonderlijk belast. Daartoe is wel vereist dat aan het huwelijk formeel een einde is gekomen, wat het geval is zodra het echtscheidingsvonnis is overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Echtgenoten die nog niet formeel zijn gescheiden, maar al wel feitelijk gescheiden leven, worden ook afzonderlijk belast. Maar dat geldt niet vanaf het jaar van de feitelijke scheiding; wel pas, vanaf het jaar dat volgt op het jaar van de feitelijke scheiding. Wanneer Piet en Griet - officieel gehuwd - nog dit jaar besluiten het samenleven op te geven, dan zullen zij voor hun inkomsten van 1999 in principe nog gezamenlijk worden belast; en geldt de afzonderlijke belasting pas vanaf de inkomsten die zij in 2000 behalen; op voorwaarde dat zij de feitelijke scheiding in 2000 niet ongedaan hebben gemaakt.ONDERHOUDSGELD.Voor het jaar van de feitelijke scheiding - in het voorbeeld 1999 - heeft de scheiding dus nog geen gevolg voor de manier waarop de inkomsten worden belast. Wat met de onderhoudsgelden die voor dat jaar worden betaald? Stel dat de vrederechter, bij wijze van dringende en voorlopige maatregelen, aan Piet de verplichting heeft opgelegd om aan Griet vanaf het ogenblik van de feitelijke scheiding per maand een bepaald bedrag aan onderhoudsgelden te betalen.Onderhoudsgelden die ingevolge een burgerrechtelijke onderhoudsverplichting worden uitbetaald, zijn - als alle voorwaarden zijn vervuld - tot 80% fiscaal aftrekbaar in hoofde van de betaler, en tot dezelfde 80% belastbaar in hoofde van de ontvanger.De administratie is er altijd van uitgegaan dat de onderhoudsgelden die tussen echtgenoten worden betaald, voor het jaar van de feitelijke scheiding geen fiscale gevolgen kunnen hebben. Aangezien de echtgenoten voor dat jaar nog gezamenlijk worden belast, zou de aftrek van de onderhoudsgelden bij de ene echtgenoot, en de belasting ervan bij de andere echtgenoot, eigenlijk neerkomen op een nuloperatie. Vandaar dat de onderhoudsgelden voor dat jaar fiscaal terzijde worden gelaten.KINDEREN.Wat met de onderhoudsgelden die voor de kinderen worden betaald? Stel dat Piet en Griet in het voorbeeld twee kinderen ten laste hebben en dat de vrederechter Piet ook weer bij wijze van dringende en voorlopige maatregel veroordeelt om ten behoeve van de kinderen per maand een bepaald bedrag aan onderhoudsgelden te betalen.Onderhoudsgelden die voor de kinderen worden betaald, zijn altijd afzonderlijk belastbaar in hoofde van de kinderen. Zij worden nooit toegevoegd aan het belastbaar inkomen van de ouders. Dat geldt ook voor het jaar van de feitelijke scheiding; een jaar waarin de echtgenoten - zoals gezegd - nog wel gezamenlijk worden belast. Onder druk van de rechtspraak aanvaardt de administratie al jaren dat de onderhoudsgelden die voor de kinderen worden betaald, ook al voor het jaar van de feitelijke scheiding aftrekbaar zijn.VOORZICHTIG.Men moet evenwel heel voorzichtig zijn. De administratie knoopt aan de aftrek van de onderhoudsgelden die voor het jaar van de feitelijke scheiding voor de kinderen worden betaald, automatisch het gevolg vast dat de kinderen voor datzelfde jaar niet als persoon ten laste in rekening kunnen worden gebracht. De echtgenoten verliezen de verhoging van het belastingvrij minimum waarop de kinderen voor dat jaar recht kunnen geven.De redenering van de administratie ziet er ongeveer als volgt uit. Om fiscaal als persoon ten laste in aanmerking te komen, is onder meer vereist dat men op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaakt van het gezin van de belastingplichtige. Voor de aftrek van onderhoudsgelden is andersom vereist dat men geen deel meer uitmaakt van het gezin van de belastingplichtige. Twee tegenstrijdige voorwaarden dus, waaraan men voor het jaar van de feitelijke scheiding - volgens de administratie - niet tegelijk kan voldoen. Gezien de feitelijke scheiding maken de kinderen waaraan de onderhoudsgelden worden betaald, weliswaar geen deel meer uit van het gezin van de echtgenoot die de onderhoudsgelden betaalt; maar dat botst met de gedachte dat diezelfde echtgenoot voor datzelfde jaar nog gezamenlijk wordt belast, en bijgevolg voor dat jaar nog moet worden geacht fiscaal één en hetzelfde gezin te vormen met de andere echtgenoot (en met hun gezamenlijke kinderen).Het botst ook met de gedachte dat aan een feitelijke scheiding slechts fiscale gevolgen kunnen worden gehecht vanaf het jaar dat volgt op het jaar van de feitelijke scheiding, en dus nog niet voor het jaar waarin de feitelijke scheiding plaatsvindt. KEUZE.Volgens de administratie moet men daarom voor het jaar van de feitelijke scheiding kiezen: ofwel blijft alles voor dat jaar bij het oude (de kinderen worden verder als persoon ten laste beschouwd van de beide echtgenoten), maar dan kan er voor dat jaar nog geen sprake zijn van een aftrek van onderhoudsgelden; ofwel beroept men zich ook voor dat jaar al op de aftrek van de onderhoudsgelden, maar dan verliest men voor datzelfde jaar het recht om de kinderen fiscaal als ten laste te beschouwen.Feitelijk gescheiden echtgenoten moeten derhalve voor het jaar van de feitelijke scheiding goed op hun tellen passen. De fiscale winst die met een aftrek van onderhoudsgelden gaat gepaard, weegt dikwijls niet op tegen het fiscale verlies dat voortvloeit uit de schrapping van de verhoging van het belastingvrije minimum voor de kinderen die nog ten laste kunnen zijn. Normaal moet dit probleem met wat berekeningen en onderling overleg kunnen worden vermeden. Maar de onenigheid die meestal met een feitelijke scheiding gaat gepaard, is niet van aard om dat overleg te bevorderen. Die onenigheid is trouwens de reden waarom feitelijk gescheiden echtgenoten al voor het jaar van de feitelijke scheiding afzonderlijk een aangifte mogen indienen (hoewel zij voor dat jaar nog gezamenlijk worden belast).Deze afzonderlijke aangifte heeft meteen ook tot gevolg dat de ene echtgenoot niet noodzakelijk weet wat de andere echtgenoot op zijn aangifteformulier heeft vermeld. En dat de ene echtgenoot misschien tot zijn stomme verbazing moet vaststellen dat de belastingfactuur aanzienlijk oploopt omdat de andere echtgenoot aftrekbare onderhoudsgelden op zijn aangifteformulier heeft vermeld, zonder rekening te houden met de negatieve gevolgen die dat kan hebben voor de kinderen die nog ten laste zijn.GENT.Voor wie slachtoffer is van zo'n situatie, is het allicht goed om weten dat het Hof van Beroep in Gent onlangs de administratieve zienswijze heeft afgewezen. Het feit dat voor het jaar van de feitelijke scheiding aftrekbare onderhoudsgelden in rekening zijn gebracht, heeft volgens het Hof hoegenaamd niet tot gevolg dat de kinderen voor datzelfde jaar fiscaal niet meer ten laste zouden kunnen zijn (Gent, 6 mei 1999). Volgens het Hof was (in het betrokken geval) in hoofde van de man voldaan aan de voorwaarden om de betaalde onderhoudsgelden af te trekken, en in hoofde van de vrouw om de kinderen fiscaal als ten laste te beschouwen. Het een sluit volgens het Hof het ander niet uit, ook niet voor het jaar van de feitelijke scheiding.Noteer dat het gesignaleerde probleem zich uitsluitend voordoet voor het jaar van de feitelijke scheiding. Voor de daaropvolgende jaren wordt niet betwist dat de aftrek van de onderhoudsgelden in hoofde van de echtgenoot die ze betaalt, perfect kan samengaan met de verhoging van het belastingvrije minimum van de andere feitelijk gescheiden echtgenoot met wie de kinderen een gezin vormen.Jan Van Dyck is jurist.Jan Van Dyck