Een pittig herstel van de wereldeconomie, een expansief geldbeleid van de westerse centrale banken en onrust in het Midden-Oosten. Dit voorschrift volstaat om de olieprijs in sneltreinvaart richting 100 dollar per vat te katapulteren. Dat is meer dan een symbolische grens, want als de olieprijs zich dit jaar nestelt rond of boven de 100 dollar per vat, dan loopt de oliefactuur voor de wereldeconomie op tot 5 procent van het wereldinkomen.
...

Een pittig herstel van de wereldeconomie, een expansief geldbeleid van de westerse centrale banken en onrust in het Midden-Oosten. Dit voorschrift volstaat om de olieprijs in sneltreinvaart richting 100 dollar per vat te katapulteren. Dat is meer dan een symbolische grens, want als de olieprijs zich dit jaar nestelt rond of boven de 100 dollar per vat, dan loopt de oliefactuur voor de wereldeconomie op tot 5 procent van het wereldinkomen. Het recente verleden bewijst dat de wereldeconomie, en zeker de westerse, dit prijsniveau bekoopt met een recessie. De vorige keer dat de globale oliebelasting die grens van 5 procent haalde, ligt nog vers in het geheugen (zie grafiek 1). De olieprijs piekte in de zomer van 2008 op 147 dollar per vat en gaf de westerse economie, die al op wankele benen stond, de genadeklap. Het was geleden van het begin van de jaren tachtig dat de oliebelasting tot 5 procent van het wereld-bbp was opgelopen. Toen ontsnapte het Westen ook niet aan een zware recessie. Ook het Amerikaanse wedervaren spreekt boekdelen. Bijna elke scherpe stijging van de olieprijs werd gevolgd door een recessie in de VS (zie grafiek 2). De nieuwe oliebesognes dreigen het herstel voortijdig te torpederen op een moment dat een stevige economische groei hét tegengif is tegen de overmatige schuldenlast in het Westen. Voorlopig is de prijsklim nog verteerbaar. Logisch. Olie is duur omdat het relatief goed gaat met de wereldeconomie. De prijsstijging is goedaardig en niet van de boze soort, waarbij de economie overvallen wordt met plotse prijsstijgingen als gevolg van olieschaarste. Maar of de prijsstijging nu goedaardig of kwaadaardig is, te dure olie is vrij snel zelfvernietigend door zijn impact op de wereldeconomie en dus de vraag naar olie. Dure olie doet vooral pijn omdat een gestegen olieprijs neerkomt op een belastingverhoging waarvan de opbrengst niet naar de eigen schatkist gaat. Dat inkomenslek naar het buitenland zorgt ervoor dat er minder centen overblijven om te spenderen aan andere producten en diensten, met als resultaat een vertraging van de economie. Natuurlijk is het wel zo dat deze belasting op de olie-invoerende landen een inkomen betekent voor de olie-exporterende landen. Eigenlijk gaat het dus op wereldschaal niet om een verlies, maar om een transfer van inkomen. Dat deze inkomenstransfer toch gepaard gaat met een vertragende wereldeconomie, komt omdat de olie-exporterende landen niet alle extra inkomsten meteen weer spenderen en omdat de wereld tijd nodig heeft om zich aan te passen aan de snel veranderde consumptiepatronen. Stijgende olieprijzen werken dus allesbehalve smerend voor de wereldeconomie. Daarnaast maakt dure olie ook het leven van de centrale bankiers - en dus van iedereen - een stuk moeilijker. Vooral voor de westerse centrale banken is een oplopende inflatie, als gevolg van hogere olie- en grondstofprijzen, de nachtmerrie waar ze al een tijdje bang voor zijn. De stijgende olieprijs pookt de inflatie in het Westen op, maar de westerse economie en het banksysteem zijn nog lang niet in staat om een strakker monetair beleid te verteren. Een recessie organiseren om de inflatie te vermoorden - zoals de Amerikaanse centrale bankier Paul Volcker aan het begin van de jaren tachtig deed - is een scenario dat niemand durft te suggereren. Meer nog, wellicht hopen heel wat beleidsmakers stiekem op een portie inflatie om de overheidsschulden in koopkrachttermen af te bouwen. Toch hoort een centrale bank met een beetje zelfrespect zich te verzetten tegen een oplopende inflatie. Vooral van de Europese Centrale Bank (ECB) wordt verwacht dat zij niet lijdzaam blijft toekijken als de prijzen te snel stijgen. Maar de ECB kan een salomonsoordeel tussen groei of prijsstabiliteit bespaard blijven als diegenen die rechtstreeks de hogere olieprijzen betalen (u bijvoorbeeld, aan de pomp), die extra kosten niet doorrekenen aan derden, zoals uw werkgever. Als dat niet gebeurt, en de zogenaamde tweederonde-effecten blijven uit, dan blijft de onderliggende inflatietendens en -verwachtingen stabiel, en dan kunnen de centrale bankiers rustiger toekijken en wachten tot de bui overwaait. Niet toevallig liggen mechanismen die het doorgeven van hogere olieprijzen institutionaliseren, zoals de Belgische automatische loonindexering (zie kader), vandaag op het Europese offerblok. Hoe pijnlijk de dure olie wordt, hangt af van de vraag of 100 dollar een eindstation of slechts een tussenstation naar nog hogere prijzen is. Op korte termijn heeft Saudi-Arabië de sleutel in handen omdat deze oliestaat zowat fungeert als de centrale bank van de oliemarkten. Want alleen Saudi-Arabië, en in mindere mate Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten, hebben voldoende reservecapaciteit om snel extra olie op de markt te brengen (zie grafiek 3). Toch slagen ze er niet altijd in om de oliemarkt te stabiliseren. Zo onderschatte Saudi-Arabië in de periode 2007-'08 de forse stijging van de olievraag en die foute berekening lag mee aan de basis van de prijsexplosie in 2008. Op dit moment is er weer een reservecapaciteit van ongeveer 5 miljoen vaten per dag op een totale vraag van 88 miljoen vaten, tegenover amper 2 miljoen vaten in 2008. Dat is een stevige verzekering tegen verder oplopende olieprijzen, al is die buffercapaciteit mogelijk te weinig als de situatie in het Midden-Oosten verder escaleert, zeker als de oliepomp van de wereld, Saudi-Arabië, in het gewoel betrokken raakt. Op langere termijn is het plaatje troebeler. De wereld springt steeds zuiniger om met energie, vooral het Westen dan, waar de vraag naar olie mogelijk al over zijn all time high heen is. Ook de groeilanden boeken gestaag winst in energie-efficiëntie, maar dat volstaat nog lang niet om de stijgende olievraag die gepaard gaat met snelle economische groei te compenseren. Het energieverbruik per kop in deze landen komt nog niet aan de enkels van onze olieconsumptie. Bovendien gaat het prijssignaal er nog vaak verloren omdat energie in heel wat olieproducerende landen fors gesubsidieerd wordt. Nogal wat regimes zijn niet snel geneigd om die steun te ontzeggen aan hun bevolking. Het olieaanbod moet op langere termijn alle zeilen bijzetten om de vraag bij te houden, waardoor een verdere trendmatigere stijging olieprijs een heel plausibel scenario is. We moeten dus leren leven met een hogere oliebelasting. DAAN KILLEMAESDe nieuwe oliebesognes dreigen het herstel voortijdig te torpederen net nu een stevige economische groei hét tegengif is tegen de overmatige schuldenlast in het Westen.