"De lijfgeur van onze fabriek", noemt Chris Depreeuw, de algemeen directeur van Oleon, de soms lichte frituurgeur die tussen het kilometers grote oerwoud aan roestvrije stalen buizen hangt op het bedrijventerrein in Ertvelde. Dagelijks verwerkt Oleon er 1500 ton vetten tot oleochemische producten. Oleochemie is een moeilijke en weinig gangbare naam voor de verwerking van plantaardige (onder meer koolzaad-, soja- en palmolie) en dierlijke vetten tot producten voor detergenten, zepen, cosmetica, kauwgom, verven, kaarsen, tandpasta, autobanden.
...

"De lijfgeur van onze fabriek", noemt Chris Depreeuw, de algemeen directeur van Oleon, de soms lichte frituurgeur die tussen het kilometers grote oerwoud aan roestvrije stalen buizen hangt op het bedrijventerrein in Ertvelde. Dagelijks verwerkt Oleon er 1500 ton vetten tot oleochemische producten. Oleochemie is een moeilijke en weinig gangbare naam voor de verwerking van plantaardige (onder meer koolzaad-, soja- en palmolie) en dierlijke vetten tot producten voor detergenten, zepen, cosmetica, kauwgom, verven, kaarsen, tandpasta, autobanden. "Ertvelde is de grootste fabriek voor oleochemie in Europa en wereldklasse in productiecapaciteit", meldt Chris Depreeuw tijdens de rondleiding. Met zijn uiterst performante productieapparaat is de fabriek goed voor 400.000 ton afgewerkte producten per jaar. Het kleinste order is een volle vrachtwagen van 25 ton. Oleon bedient dan ook reuzenklanten als Procter & Gamble, Unilever, Henkel, AkzoNobel of BASF. Ondanks die enorme productie houden nauwelijks veertien werknemers in een ploegensysteem de hele boel draaiende. "Onze personeelskosten maken 10 tot 12 procent van onze bedrijfskosten uit", laat Chris Depreeuw verstaan. "Dan kan je de Belgische loonkosten verteren, al zijn die in onze Franse fabriek 40 procent en in onze Duitse 20 procent goedkoper." Eind juni investeerde Oleon nog 8 miljoen euro in een uitbreiding in Ertvelde. Maar het nieuwe offensief gaat richting Azië. In Maleisië investeert het 26 miljoen euro in een nieuwe fabriek in Port Klang. Die komt er naast de bestaande productie-eenheid, die Oleon al in 2009 opstartte. De nieuwe fabriek moet de productie van Oleon in Maleisië tegen 2014 opdrijven tot 50.000 ton. Oleon verwacht uit de nieuwe fabriek een jaarlijkse omzet van 30 miljoen euro. De onderneming kreeg bovendien een belastingvrijstelling voor tien jaar, en een overheidssteun van één miljoen euro voor onderzoek en ontwikkeling. De nieuwe investering gebeurt via een joint venture met het Deense United Plantations. De Deen, goed voor 55.000 hectare palmolieplantages, omschrijft zich als de koploper in duurzame palmolie in Maleisië. De samenwerking met Oleon is een interessante diversificatie. Terwijl United Plantations de landbouwgrondstoffen levert, verwerkt de Vlaamse onderneming ze tot oleochemische producten op basis van palmstearine, de verzadigde fractie uit palmolie. "Dé groeimarkt voor palmolie is Azië", stelt Chris Depreeuw. "Chinezen frituren alles met palmolie, tot krekels toe. Palmolie is de meest verkochte voedingsolie ter wereld. En onze groei loopt parallel met de economische groei. In Japan is er nulgroei, die in West-Europa is beperkt. Maar in Azië is er een jaarlijkse groei van 5 tot 10 procent. Ook Brazilië groeit enorm." In Maleisië maakt Oleon producten voor toepassingen in detergenten, zepen, ander materiaal voor persoonlijke verzorging. Maar de nieuwe fabriek zal zich vooral toeleggen op voeding. Oleon maakt in Port Klang zogenaamde voedingsesters (additieven), vooral voor industriële bakkerijen (langere bewaartijden voor brood), roomijs- en vleesproducenten. Oleon schat de markt voor toepassingen in voeding op 1 miljard euro, maar de onderneming heeft amper 1 procent van die markt in handen. "De Maleisiërs zijn plantagejongens, met volumes van duizenden tonnen. Voedingsesters gaat over ordegroottes van een of twee vrachtwagens. Dat wordt voor de grote plantagejongens te complex. In de complexiteit van die markt zijn ze te pakken, niet in de grote volumes." En Oleon kan sommige van de grote volumemakers ook nog op een ander terrein kloppen, namelijk in duurzaamheid van de palmolie. De gebruikte palm- stearine biedt dankzij de samenwerking met United Plantations totale naspeurbaarheid, van het zaaigoed tot de aflevering in de bestemmingshaven. "Duurzaamheid maakt pas sinds drie, vier jaar opgang in de palmoliesector, maar is vandaag onontbeerlijk voor klanten als Kraft en Nestlé. In 2010 werd palmolie plots verdacht, want men kapt regenwouden voor de teelt. Greenpeace toonde films met bloedende orang-oetans in gebieden met oliepalmen. Dat willen de multinationals absoluut vermijden, zij worden daarop aangevallen. De wereld kan niet langer zonder palmolie, maar het moet dus wel allemaal duurzaam gebeuren. United Plantations is de grote voortrekker in duurzaamheid." WOLFGANG RIEPL