Het gaat al te vaak verloren in het debat over de wenselijkheid van een saneringsbeleid. Maar voor de welvaart en werkgelegenheid is onze internationale concurrentiepositie van veel groter belang dan de impact die 1 procent of meer extra besparen al dan niet heeft op onze economie. België is een kleine en zeer open economie. Ter illustratie: in 2011 bedroeg ons bruto binnenlands product (bbp) afgerond 370 miljard euro, terwijl onze export en import 314 en 308 miljard euro bedroegen.
...

Het gaat al te vaak verloren in het debat over de wenselijkheid van een saneringsbeleid. Maar voor de welvaart en werkgelegenheid is onze internationale concurrentiepositie van veel groter belang dan de impact die 1 procent of meer extra besparen al dan niet heeft op onze economie. België is een kleine en zeer open economie. Ter illustratie: in 2011 bedroeg ons bruto binnenlands product (bbp) afgerond 370 miljard euro, terwijl onze export en import 314 en 308 miljard euro bedroegen. De discussie over onze concurrentiepositie laait met de regelmaat van een klok hoog op. Ze zorgt voor pittige woordenwisselingen in de regering en verzuurt de relaties tussen de sociale partners. Helaas verzandt de discussie al te vaak in een oeverloos welles-nietes-debat. Of we nu echt een probleem hebben of niet, kan het beste afgeleid worden uit de evolutie van onze prestaties in de internationale handel. Met andere woorden: een studie van de marktaandelen van de nv België dringt zich op. In haar jongste rapport over België komt de OESO met interessant materiaal over onze marktaandelen. Helaas zijn de cijfers weinig bemoedigend. Tussen 1990 en 2012 ging het exportaandeel van België gestaag achteruit (zie grafiek België verliest continu exportaandeel). Ons land verloor in die periode bijna 30 procent exportaandeel. Vandaag is onze export nog goed voor amper 1,8 procent van de wereldhandel. Duitsland en Nederland slaagden erin hun exportaandeel in die periode met 5 à 10 procent te doen groeien. Enkel Italië doet het nog slechter dan België, met een terugval van 40 procent. De OESO-cijfers handelen over exportaandelen in het geheel van de wereldhandel. Gegeven de opkomst van landen als China, India en Brazilië is het perfect verklaarbaar dat een economie als de Belgische dan wat moet inbinden. Om een correcter beeld te krijgen, kunnen we beter kijken naar de groep van de geïndustrialiseerde landen en hun onderlinge verhoudingen. Geert Janssens van de denktank VKW Metena deed de oefening. Door de groep van industrielanden te isoleren en enkel hun onderlinge handelsstromen te analyseren, haalt Janssens de effecten van de opkomende landen uit de cijfers. Tabel 1 vat de resultaten van zijn analyse samen. Tussen 2000 en 2012 verloor België in de groep van industrielanden 7,8 procent marktaandeel. Enkel Frankrijk, Italië en Griekenland doen slechter. Ook hier treedt Duitsland als grote winnaar op de voorgrond, met een toename van zijn marktaandeel van liefst 34,5 procent. Voor deze evolutie kan geen enkele valabele reden aangedragen worden. "Een belangrijke vaststelling is dat België in belangrijke mate kon profiteren van het aanzuigeffect van de heel sterke Duitse exportprestaties", vult Janssens aan. "Maar dat belet niet dat we sterk terugvallen tegenover landen met plusminus een zelfde graad van economische ontwikkeling." Geert Janssens laat ook weinig twijfel bestaan over de redenen van die slechte prestatie. Vooral de loonkosten en sinds kort ook de energiekosten wegen almaar zwaarder op de concurrentiepositie van het Belgische bedrijfsleven. Het debat over de loonkosten is bezoedeld, vindt hij: "Omdat we in 1996 een wet op het behoud van het concurrentievermogen kregen, ontstaat de indruk dat onze loonkosten sindsdien gelijklopen met die van onze handelspartners. Dat klopt helemaal niet." In 2012 lagen onze loonkosten per uur 22,4 procent hoger dan in Duitsland, en 16,2 procent hoger dan het gewogen gemiddelde van onze drie grote buurlanden (zie grafiek Loonkostenhandicap loopt uit de hand). Tegenover Duitsland was er een lichte verbetering in 2012, maar de conclusie kan alleen maar zijn dat onze loonkostenhandicap de jongste vijf jaar gestaag oploopt. Om de impact van de relatieve loonkosten op het concurrentievermogen goed te kunnen inschatten, moet er uiteraard ook rekening gehouden worden met de evolutie van de productiviteit. Meer productiviteit maakt dat hogere loonkosten niet direct een negatieve impact op het concurrentievermogen van de ondernemingen hoeven te hebben. De loonkosten per eenheid product corrigeren de loonkosten voor productiviteit. Met 1996 als ijkpunt, liggen onze loonkosten per eenheid product echter ruim 10 procent hoger dan het gewogen gemiddelde van de drie buurlanden (zie grafiek Productiviteit blijft achterop). Vooral sinds 2010 ontsporen onze loonkosten per eenheid product snel. Zeer opmerkelijk is ook dat onze productiviteit stilaan begint achterop te lopen tegenover die in de buurlanden. Dat is een belangrijke ommekeer. Bovenop de verslechtering van onze loonkostenpositie, kregen onze ondernemingen de voorbije jaren nog een bijkomende handicap te verwerken: de stijgende energiekosten. "Een recente studie van Deloitte Belgium is heel duidelijk", zegt Geert Janssens. "In Vlaanderen betalen grote industriële verbruikers 12 procent meer voor hun energie dan hun belangrijkste buitenlandse concurrenten. Wie 100 gigawattuur per jaar verbruikt, betaalt 1 miljoen euro meer. Bij een verbruik van 1000 gigawattuur loopt de jaarlijkse handicap zelfs op tot 6,4 miljoen euro." Alweer een weinig opbeurend gegeven voor onze bedrijven, maar er is ook goed nieuws: we kunnen iets doen aan zowel de loonkosten- als de energiekostenhandicap. De overheid kan op beide domeinen ingrijpen in de prijsvorming, zodat onze opgebouwde handicaps wegsmelten. Maar dan moet ze wel ophouden met bijvoorbeeld 2018 voorop te stellen als het jaar waarin onze handicaps weggewerkt moeten zijn. JOHAN VAN OVERTVELDTTussen 2000 en 2012 verloor België in de groep van industrielanden 7,8 procent marktaandeel.