Familie- en partijgenoten Patrick Dewael en Marleen Vanderpoorten ( VLD) maakten er twee weken geleden een stevig potje van. "90% van het onderwijspersoneel hoeft absoluut niet te klagen over zijn verloning," verkondigde de Vlaamse minister-president, die meteen de steun kreeg van VLD-voorzitter Karel De Gucht. "Lerarenlonen zijn niet concurrentieel," counterde Vanderpoorten als minister van Onderwijs.
...

Familie- en partijgenoten Patrick Dewael en Marleen Vanderpoorten ( VLD) maakten er twee weken geleden een stevig potje van. "90% van het onderwijspersoneel hoeft absoluut niet te klagen over zijn verloning," verkondigde de Vlaamse minister-president, die meteen de steun kreeg van VLD-voorzitter Karel De Gucht. "Lerarenlonen zijn niet concurrentieel," counterde Vanderpoorten als minister van Onderwijs. Het vreemdste aan heel deze discussie tussen VLD-kopstukken is dat zowel Dewael en De Gucht als Vanderpoorten zich voor hun uitspraken op één en dezelfde studie baseren: een werkstuk dat besteld werd bij de Hay Group, die in de materie gespecialiseerd is. De presentatie van deze loonstudie voor het onderwijs aan de vakbonden, de pers en het publiek loopt nu al weken vertraging op. Mensen die bij de Hay-studie betrokken zijn, bevestigden aan Trends dat het niet evident was om in deze geladen sfeer tot een objectief studierapport te komen. Voordeel krimpt maar blijft bestaanTerwijl het wachten blijft op de Hay-conclusies, overheerst er cijferarmoede in het intensieve debat rond de lonen in de publieke sector. In een nota aan het Comité B zette het kabinet van federaal minister van Ambtenarenzaken Luc Van den Bossche ( SP) een aantal gegevens op een rijtje. Maar noch de coherentie, noch de oorsprong ervan is duidelijk, om het zacht uit te drukken. Vooral de definitie van wat nu precies de privé-sector uitmaakt, is puur willekeurig. Enkele kleine wijzigingen daarin veranderen de conclusies ten gronde. Vlaams minister voor Ambtenarenzaken Johan Sauwens ( VU) kondigt intussen aan dat ook hij binnenkort met een studie over de loonverschillen tussen privé- en publieke sector komt. Op 15 maart 2001 presenteerde Trends cijfers over het gemiddelde brutojaarloon in de publieke en particuliere sector. RSZ-gegevens wezen uit dat dat gemiddelde loon voor 1997 en 1998 respectievelijk 6,2% en 5,6% hoger lag in de publieke sector dan in de privé-sector. Onlangs werkte de RSZ zijn statistieken voor 1999 af, en die bevestigen de eerdere conclusie, ondanks een lichte wijziging in de methodiek. Het gemiddelde brutoloon in de publieke sector lag in 1999 5% hoger dan in de privé-sector (zie tabel). Er zit dus een dalende trend in deze cijferreeks, maar het voordeel voor de publieke sector blijft duidelijk. We wijzen er ook op dat de RSZ-gegevens op de volledige publieke sector slaan, exclusief de ambtenaren op provinciaal en gemeentelijk niveau. Volgens de vakbonden bevinden zich net op dát niveau echter de beter betaalde ambtenaren.Gevaarlijke veralgemeningenUiteraard moeten we ook nu herhalen wat we in de voorgaande artikels over dit thema al duidelijk stelden. Bovenstaande gemiddelde gegevens kunnen (grote) verschillen op onderliggende niveaus verhullen. Onze cijfers sluiten absoluut niet uit dat bepaalde groepen van werknemers uit de publieke sector slechter betaald worden dan collega's uit de privé-sector. Maar dat het gemiddelde loon systematisch in het voordeel van de publieke sector ligt, maakt wel dat de syndicale eis tot lineaire loonsverhogingen wegens de achterstand van dé ambtenaar op dé privé demagogisch en corporatistisch is. Contacten met verschillende mensen die direct betrokken zijn bij het officiële rekenwerk rond deze loondiscussie, leren waar het schoentje écht knelt. Bijgaande grafiek tracht, puur illustratief, het een en ander samen te vatten. Op de lagere loonniveaus, zo luidt het, betaalt de overheid beter dan de privé-sector (iets wat trouwens ook minister Van den Bossche op de VRT-televisie al aangaf). Voor hogere functies betaalt de privé-sector dan weer behoorlijk tot ruimschoots meer. Het overgrote deel van de tewerkstelling situeert zich echter in dat soort jobs waar het loonsverschil veeleer in het voordeel van de publieke sector ligt. Gezien het grote relatieve gewicht van de tewerkstelling op die lagere functieniveaus weegt het relatief kleine loonsverschil daar dan ook zwaar door op het algemene gemiddelde. Voor mensen die vertrouwd zijn met de verloningsproblematiek waren en zijn de cijfers van Trends helemaal geen verrassing. Evenmin was het voor hen een verrassing dat de politici en de vakbonden er alles aan deden om die cijfers publiekelijk als totaal foutief af te schilderen. Johan Van Overtveldt