Op Europees niveau is een zeer intrigerend debat aan de gang: hoe ver reikt het zwijgrecht in fiscale zaken? Anders gezegd, in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden mag een belastingplichtige weigeren te antwoorden op vragen van de fiscus, zonder dat hij daarvoor een sanctie riskeert?
...

Op Europees niveau is een zeer intrigerend debat aan de gang: hoe ver reikt het zwijgrecht in fiscale zaken? Anders gezegd, in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden mag een belastingplichtige weigeren te antwoorden op vragen van de fiscus, zonder dat hij daarvoor een sanctie riskeert? In België, maar niet alleen hier, wordt dat type van vragen met argwaan bekeken. Vooral door de fiscus. Op fiscaal gebied heerst immers een algemene verplichting tot medewerking. Inzake inkomstenbelastingen moet elke belastingplichtige jaarlijks keurig en tijdig zijn aangifte indienen. Als de fiscus vindt dat er iets niet pluis is, heeft hij het recht daarover vragen te stellen. De belastingplichtige is in principe verplicht daarop te antwoorden. De fiscus mag ter plaatse afstappen om de nodige controles te verrichten. Dat onderzoeksrecht is zeer ruim. Op basis van de recentste rechtspraak heeft hij zelfs het recht om op eigen initiatief in de professionele kasten en bureaulades te snuffelen. Het onderscheid met een huiszoeking zoals die in strafzaken door onderzoeksrechters gebeurt, bestaat meer in theorie dan in de praktijk. Tegenover die ongebreidelde verplichting tot medewerking van de belastingplichtige staat het heilige principe dat men in strafzaken nooit verplicht kan worden zichzelf in beschuldiging te stellen. Wie bijvoorbeeld van moord verdacht wordt, mag liegen dat hij zwart ziet. Hij kan nooit onder dwang gezet worden om verklaringen af te leggen waarmee hij zichzelf aan de galg praat. Op fiscaal gebied ligt de combinatie van enerzijds de verplichting om met de fiscus mee te werken, en anderzijds het recht om zichzelf niet aan de galg te praten, bijzonder moeilijk. In België bestaat er nauwelijks of geen fiscale procedure die uiteindelijk niet kan uitmonden in een strafrechtelijke veroordeling van de belastingplichtige; of die niet kan uitmonden in het opleggen van administratieve boeten die op de keper beschouwd een strafrechtelijk karakter hebben. Belastingverhogingen van 50, 100 of 200 procent zijn schering en inslag. De bijzondere aanslag op geheime commissielonen loopt zelfs op tot 309 procent. Wil dat zeggen dat elke Belgische belastingplichtige voortaan het recht heeft zijn mond te houden? Dat hij niet meer verplicht is te antwoorden op vragen om inlichtingen? Dat hij fiscale onderzoekers de deur mag wijzen? Die vragen zijn minstens voorlopig bijzonder moeilijk te beantwoorden. De gangbare rechtspraak en rechtsleer houden het erop dat het zwijgrecht alleen maar bestaat als men onder dwang verzocht wordt verklaringen af te leggen waarmee men zichzelf aan de galg praat, en die kunnen uitmonden in een strafrechtelijke vervolging. En niet als men bijvoorbeeld verzocht wordt bepaalde boekhoudkundige of finan-ciële stukken voor te leggen die hoe dan ook 'bestaan'. Dat heten dan 'wilsonafhankelijke' gegevens te zijn. Het zwijgrecht zou niet zo ver reiken dat het ook toelaat die gegevens niet mee te delen. Maar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens denkt daar blijkbaar anders over. In een baanbrekend arrest van enkele maanden geleden heeft het geoordeeld dat het zwijgrecht bestaat, zodra de fiscus niet volledig kan uitsluiten dat men een sanctie van strafrechtelijke aard riskeert (arrest van 5 april 2012). Bovendien lijkt het hof een zeer beperkte interpretatie te geven aan inlichtingen die los van de vrije wil van de belastingplichtige bestaan: bankbescheiden, boekhouddocumenten enzovoort, waarvoor hoe dan ook een vrije beslissing van de belastingplichtige nodig is om ze wel of niet over te leggen, zouden ook onder het zwijgrecht kunnen vallen. De afweging of men recht heeft op zwijgen wordt er met deze nieuwe Europese rechtspraak alleen maar moeilijker op, vooral in het licht van (onder meer) de Belgische verplichting om mee te werken aan het administratief fiscaal onderzoek. Tegelijk is deze rechtspraak uitdagend: ze dwingt nationale wetgevers radicale keuzes te maken. Als die belastingplichtigen willen dwingen tot het meewerken aan een fiscaal onderzoek, zullen ze hun plannen moeten laten varen om diezelfde belastingplichtigen op basis van dat onderzoek op de strafrechtelijke pijnbank te leggen. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. JAN VAN DYCKStrafrechtelijk kan men nooit verplicht worden zichzelf in beschuldiging te stellen.