Een goedbedoelde fiscale maatregel ter aanmoediging van de opvang van ouderen heeft onverwachte gevolgen. Personen die fiscaal ten laste zijn, geven bij de belastingplichtige die ze ten laste heeft, recht op een verhoging van het belastingvrij minimum. Tot de personen die fiscaal ten laste kunnen zijn, behoren onder meer de ascendenten en de zijverwanten tot en met de tweede graad. In normale mensentaal: de ouders, grootouders, enzovoort, en de broers en zussen. Wanneer zij fiscaal ten laste zijn, geven zij normaal slechts recht op een bescheiden verhoging van het belastingvrije minimum. Het nog te indexeren bedrag van die verhoging bedraagt slechts 870 euro.
...

Een goedbedoelde fiscale maatregel ter aanmoediging van de opvang van ouderen heeft onverwachte gevolgen. Personen die fiscaal ten laste zijn, geven bij de belastingplichtige die ze ten laste heeft, recht op een verhoging van het belastingvrij minimum. Tot de personen die fiscaal ten laste kunnen zijn, behoren onder meer de ascendenten en de zijverwanten tot en met de tweede graad. In normale mensentaal: de ouders, grootouders, enzovoort, en de broers en zussen. Wanneer zij fiscaal ten laste zijn, geven zij normaal slechts recht op een bescheiden verhoging van het belastingvrije minimum. Het nog te indexeren bedrag van die verhoging bedraagt slechts 870 euro. Enkele jaren geleden ontstond het idee om kinderen fiscaal aan te moedigen hun bejaarde ouders of grootouders bij hen te laten inwonen. De verhoging van het belastingvrije minimum werd daarom verdubbeld. Dus twee keer 870 euro of 1740 euro. Voor het aanslagjaar 2011 (inkomsten van 2010) is dit bedrag na indexaanpassing gelijk aan 2730 euro. Een zoon of dochter die zijn beide ouders in zijn gezin opneemt, kan dus op die manier recht hebben op een verhoging van zijn belastingvrij minimum met tweemaal 2730 euro, één keer voor vader en één keer voor moeder. Voorwaarde is wel dat de ascendent de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Eenzelfde regeling werd ingevoerd voor wie een minstens 65 jaar oude broer of zus fiscaal ten laste heeft. Het probleem is dat personen die fiscaal ten laste willen zijn, slechts over zeer weinig bestaansmiddelen mogen beschikken. In het algemeen ligt de grens op slechts 1800 euro. Na indexaanpassing is zij voor het aanslagjaar 2011 gelijk aan 2830 euro. De meeste bejaarden hebben een pensioen, en hebben daarmee bestaansmiddelen die veel hoger zijn dan die grens. De fiscale aanmoediging om bejaarde ouders of broers of zussen in het gezin op te nemen, dreigde daardoor een maat voor niets te worden. De wetgever verzon daarom een bijkomende maatregel. Bij de beoordeling of de betrokken personen de grens van de toegelaten bestaansmiddelen wel of niet overschrijden, moet geen rekening meer gehouden worden met een eerste schijf van 14.500 euro aan pensioenen. Na index-aanpassing gaat het voor het aanslagjaar 2011 om een bedrag van 22.770 euro. Veel gepensioneerden hebben een pensioen dat lager is dan die grens. Zij worden dus - bij de beoordeling of zij wel of niet fiscaal ten laste kunnen zijn - geacht geen bestaansmiddelen te hebben. Daarmee is het probleem opgelost. Neem het geval van een zoon die zijn oude moeder bij hem laat inwonen. De moeder heeft een pensioen van bijvoorbeeld 1300 euro per maand. Op jaarbasis is dat 15.600 euro. Zij blijft zonder problemen onder de gestelde grens van 22.770 euro. Dat wil zeggen dat zij geacht wordt - voor de toepassing van de verhoging van het belastingvrije minimum voor personen ten laste - geen bestaansmiddelen te hebben. Zij kan dus fiscaal als persoon ten laste in aanmerking worden genomen. De nieuwe regeling heeft verrassende, zeg maar, discriminerende gevolgen. Zij is niet beperkt tot de situatie waarin iemand een bejaarde ascendent of broer of zus opneemt in zijn gezin. Zij is even goed van toepassing in situaties waarin het samenleven al langer duurt. Neem bijvoorbeeld broer en zus die al jaren samenwonen. Beiden zijn inmiddels 65 jaar of ouder en gepensioneerd. Stel dat broerlief een pensioen heeft dat lager is dan 22.770 euro en dat zijn zus een hoger inkomen heeft. Niets belet dan dat hij als fiscaal ten laste van zijn zus wordt beschouwd. Dat wil zeggen dat het belastingvrije minimum van zijn zus verhoogd wordt met een niet onaardige 2730 euro. Stel daarentegen een echtpaar dat exact even oud is, en dat precies evenveel pensioen geniet. Van een verhoging van het belastingvrije minimum van deze of gene echtgenoot is merkwaardig genoeg geen sprake. Waarom niet? Omdat een echtgenoot nooit geacht wordt fiscaal ten laste van de andere echtgenoot te zijn. Broer en zus kunnen het fiscale voordeel dus wel genieten. Het echtpaar niet. Is dat geen nieuwe vorm van discriminatie? Jan Van Dyck Advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog Een belangrijk bedrag aan pensioenen wordt niet als bestaansmiddel in aanmerking genomen.