Het OCAD-rapport waaruit blijkt dat het salafisme de gematigde islam in België meer en meer verdringt, veroorzaakte de voorbije weken wat opschudding. Er werd met een beschuldigende vinger gewezen naar Saudi-Arabië, waar die radicale islamstrekking haar wortels heeft. De Saudische overheid zou de verspreiding van het salafisme ondersteunen.
...

Het OCAD-rapport waaruit blijkt dat het salafisme de gematigde islam in België meer en meer verdringt, veroorzaakte de voorbije weken wat opschudding. Er werd met een beschuldigende vinger gewezen naar Saudi-Arabië, waar die radicale islamstrekking haar wortels heeft. De Saudische overheid zou de verspreiding van het salafisme ondersteunen. Eigenlijk brengt het OCAD-rapport weinig nieuws. De band tussen de radicale islam en Saudi-Arabië (en bij uitbreiding andere Golfstaten) is al jaren bekend. Het is ook geen louter Belgisch fenomeen. Alle Europese landen worden ermee geconfronteerd. Er wordt niet echt actie ondernomen om de verspreiding van het salafisme tegen te gaan, wegens de belangrijke economische relaties tussen de Golfstaten en de Europese regeringen. Over die gespannen verhoudingen tussen het Westen en de Golfstaten hebben de Franse journalisten Christian Chesnot en Georges Malbrunot een diepgravend werk geschreven: Nos très chers émirs. De focus ligt op Frankrijk, al brengt het boek ook een Europees verhaal. Op de vraag of Saudi-Arabië het salafisme promoot, antwoorden de auteurs volmondig ja. Maar het gaat verder dan dat. Er zijn bewijzen dat de Saudi's en Qatar terroristische organisaties financieren, zoals IS, Al-Nusra (Al Qaeda in Syrië) en islamitische terreurorganisaties in Afrika. Het gaat voor alle duidelijkheid niet om officieel regeringsbeleid, maar wel om steenrijke sjeiks die geld naar IS en co transfereren. Onder Europese en vooral Amerikaanse druk proberen de regeringen van Qatar en Saudi-Arabië daartegen op te treden, zij het met tegenzin. Af en toe worden de rekeningen van een terrorismesponsor geblokkeerd, maar nooit voor lang. Nieuwe, alternatieve vormen van terrorismesponsoring worden gedoogd. Zo wist IS zich een tijd te financieren via losgeld dat rijke Qatarezen betaalden om gijzelaars vrij te krijgen. Ook was de bedevaart naar Mekka voor veel radicale moslims de manier om koffers vol geld op te halen en aan terroristische groepen te bezorgen. Volgens Chesnot en Malbrunot weten de Europese regeringen van die praktijken, maar durven ze geen openlijke confrontatie met de Saudi's en Qatar aan. Omwille van de olie- en gasbelangen dus. Bovendien zijn die landen interessante klanten voor westerse bedrijven, die er grote infrastructuurwerken kunnen realiseren. Dat Saudi-Arabië na China en Iran het land is dat de meeste doodstraffen uitspreekt, zien de Europese leiders door de vingers. De journalisten ontkennen wel dat de westerse landen bang zijn van de Golfstaten omdat ze hier participaties hebben in strategische bedrijven. Saudi's investeren vooral in vastgoed. De auteurs scheren niet alle Golfstaten over één kam. Ook al zijn het nog lang geen democratieën, emiraten als Dubai, Abu Dhabi of Bahrein zijn relatief tolerant. In Abu Dhabi staan de imams onder strenge overheidscontrole. Hun preken moeten eerst worden goedgekeurd. In Bahrein is er de facto geen alcoholverbod. In het weekend snellen Saudi's naar de bars en discotheken van de hoofdstad Manama. De brug die Saudi-Arabië met Bahrein verbindt, wordt The Johnny Walker Bridge genoemd. Christian Chesnot & Georges Malbrunot, Nos très chers émirs, Michel Lafon, 2016, 300 blz., 20,95 euro ALAIN MOUTON