21 maart, de eerste lentedag. Op de 33ste verdieping van de Europese Centrale Bank heb je een schitterend uitzicht over de Duitse economische hoofdstad Frankfurt, tot aan de glooiingen van het Taunusgebergte. De zon glinstert bij een wolkenloze hemel in de rivier Main.
...

21 maart, de eerste lentedag. Op de 33ste verdieping van de Europese Centrale Bank heb je een schitterend uitzicht over de Duitse economische hoofdstad Frankfurt, tot aan de glooiingen van het Taunusgebergte. De zon glinstert bij een wolkenloze hemel in de rivier Main. Maar zo riant het uitzicht, zo discreet de uitleg. De Europese Centrale Bank komt liefst zo weinig mogelijk in het nieuws. Zodra ze op het radarscherm verschijnt, betekent dat financiële problemen. Nog eens dezelfde verdieping, maar nu in het hoofdkantoor van Deutsche Bank, de enige Duitse bankinstelling van wereldbelang. Ook hier een prachtig uitzicht, elke minuut klimt een stalen vogel vanuit een van de drukste luchthavens ter wereld in het zwerk. Opnieuw dezelfde discretie. En de dagen erna, in de lange, wijde, eindeloze gangen van Duitse federale ministeries in de politieke hoofdstad Berlijn - soms door de nazi's geïnaugureerde, en na de transfer van Bonn naar Berlijn gerenoveerde gebouwen - alweer bedenkingen off the record. Uit de gesprekken met Duitse leidinggevende figuren uit economie en politiek vormt zich een vrij consistent beeld. Duitsland, goed voor een derde van de economie in de eurozone en onmisbare stutpijler voor de euro, voert een beleid van wortel én stok. De lidstaten in moeilijkheden - Griekenland, Ierland, en Portugal - kunnen rekenen op bijstand en Duits manna. Maar in ruil moeten ze dringend hun competitiviteit herstellen. Daarvoor houden Berlijn en Frankfurt de druk op de ketel. "Dit is geen eurocrisis, maar een crisis van landen met een te groot overheidstekort." Niet alleen Carl-Ludwig Thiele, lid van het directiecomité van de Bundesbank, benadrukt die stelling. Niemand plaatst vraagtekens bij het bestaan van de munt. Begin vorig jaar leefde het idee dat, samen met de problemen in Griekenland, ook de euro zou ondergaan. Niet dus. "Geen enkele leidende politicus in Duitsland is tegen het behoud van de euro", benadrukt Werner Hoyer, de liberale staatssecretaris voor de Europese Unie bij het federale ministerie van Buitenlandse Zaken. "Ik hoor sommige critici, vooral in de Angelsaksische wereld, al een decennium verklaren dat de euro nooit zal werken. Wij zullen tonen dat die euro wél werkt. En als ertegen wordt gespeculeerd, zullen we de euro verdedigen." Hoyer is zo typisch Duits. Soms zo überschwenglich (overcompleet). Hij overdrijft in zijn maakbaarheid van de wereld en loftuitingen. Want voor Duitsland zijn euro en hyperinflatie onverzoenbaar. Het klinkt als een bittere ironie van de geschiedenis. Critici in Europa verwijten de Duitsers hun ongezonde fixatie op de inflatie. Het zou de verdere Europese eenmaking en democratisering ernstig doen wankelen. Terwijl de inflatiestrijd voor de Duitsers nu net het behoud van de democratie symboliseert. "Geld drukken om schulden weg te zuiveren doet de Duitsers huiveren", fluistert een topman van Deutsche Bank. "Dat is het scenario van de jaren twintig van de vorige eeuw. Een volledige middenklasse werd toen weggevaagd door hyperinflatie. Met als gevolg de verkiezingsoverwinningen en machtsgreep van Adolf Hitler. Duitsland wil nooit meer geld drukken om overheidsschulden weg te zuiveren." Het harde muntbeleid verhoogt de Duitse concurrentiepositie. Duitse ondernemingen besparen jaarlijks 10 miljard euro omdat ze zich niet langer moeten indekken tegen muntschommelingen van de landen in de eurozone. Zonder de euro zou de D-mark wellicht al een revaluatie hebben gekend van dubbele cijfers, schat een topmedewerker op het federale ministerie van economie. "We hebben geen baat bij een muntschok. In 1992 devalueerde de Italiaanse lire. Plots waren de Italiaanse staalproducenten veel competitiever." "Het opzet achter de euro was niet dat de lidstaten andere leden zouden bijspringen in geval van zware overheidsschulden. Met de bankencrisis werd dat principe vergeten. Het kan niet dat de Duitse belastingbetaler voor de langere termijn moet inspringen voor de tekorten van andere Europese lidstaten." Het is meer dan een waarschuwing. Als de kosten-batenanalyse voor de langere termijn negatief uitvalt, trekt Duitsland de onverbiddelijke consequenties. En toch wordt tegelijk enorm gezalfd, stroop gesmeerd. De Duitsers loven de sisyfusarbeid van de Grieken. "Griekenland levert enorme inspanningen", vindt het federaal parlementslid Gunther Krichbaum (CDU), de voorzitter van de parlementaire commissie voor de Europese Commissie. "Enkele maanden geleden dacht iedereen in Europa nog dat 'het toch nooit zou lukken met die Grieken'. Als wij in Duitsland een gelijkaardige inspanning zouden leveren, in verhouding tot de Griekse, dan zouden we 200 miljard euro moeten besparen." De Duitsers willen best tijdelijk inspringen. Griekenland koopt op die manier tijd tot het de markten weer kan overtuigen. Als de zware saneringen resultaten opleveren, kunnen de Grieken weer tegen een lagere rente geld op de internationale kapitaalmarkten ophalen. Of is dat wishful thinking? Geen enkele Duitser gelooft in een combinatie van bezuinigingen en economische groei. Een zware recessie is het onvermijdelijke lot van Griekenland. Bovendien duurt een veranderingsproces lang. "Die sanering duurt vijf tot tien jaar", zucht de topeconoom van Deutsche Bank. "In Duitsland werd vanaf 2003 bezuinigd via de Agenda 2010 onder oud-bondskanselier Gerhard Schröder (SPD). We boekten pas resultaten vanaf 2010 en Duitsland zat dan nog niet zo zwaar in de problemen als Griekenland." De Duitse resultaten worden alom bewierookt. Wat in 2005 nog werd afgeschilderd als de zieke man van Europa, is nu weer het bejubelde wirtschaftswunder. De wereld lijkt wel op haar kop te staan. De zuiderse lidstaten Griekenland en Portugal wentelen zich in een allesverterend pessimisme. Het optimisme waait warempel uit Duitsland. "Dat is eigenlijk totaal tegengesteld aan het Duitse karakter", observeert staatssecretaris Hoyer met amper een zeer lichte zweem van ironie. "Het is heel vreemd dat Duitsers over niets klagen. We voelen ons momenteel heel relax." Die Duitse concurrentiekracht ligt hoofdzakelijk in de zuidelijke deelstaten Beieren en Baden-Württemberg. "De ruggengraat van onze economie is niet Miele of Mercedes", duidt Hoyer. "Het zijn onze kmo's. Zij opereren wereldwijd en zijn specialisten in bepaalde niches zoals de machinebouw en de autosector." Ralf Brauksiepe (CDU), de staatssecretaris voor Tewerkstelling en Sociale Zaken, typeert de werknemers als technische, goed geschoolde, hoofdzakelijk mannelijke werknemers, uit de industrie. "Die werknemers werden enorm getroffen tijdens de bankencrisis. Maar we waren overtuigd dat het om een tijdelijke crisis zou gaan en dat onze economie er heel goed voor stond. Daarom hebben we, in samenspraak met vakbonden en werkgevers, tijdelijke werkloosheid ingevoerd." In 2009 verschoven anderhalf miljoen werknemers naar een deeltijds stelsel. De federale overheid betaalde 60 procent van het deeltijdse loon. Normaal worden die kosten door de werkgever gedragen. De operatie kostte de overheid 6 miljard euro en duurt nog tot eind maart 2012. De formule werkte. Het aantal deeltijdse werknemers kromp inmiddels drastisch, tot nog 185.000, in normale tijden gaat het om 100.000 mensen. "Wellicht was dat typisch Duits. We wilden een gezamenlijke oplossing en iedereen droeg een steentje bij. Niet dat we wereldwijd de boodschap willen verkondigen over het mooie Duitse model." Toch is Duitsland trots op zijn herwonnen competitiviteit met een bijzonder flexibele arbeidsregeling op maat van elk bedrijf. En de productiviteitgroei was de voorbije jaren vaak hoger dan de loongroei. "Toch is de loonmatiging niet de essentie van het Duitse concurrentiesucces", vindt Christian Dreger, hoofd van de afdeling conjunctuuranalyse bij het Deutsches Institut für Wirtschaftsforschung (DIW). "40 procent van de Duitse export bestaat uit investeringsgoederen. Dat zijn dure producten, weinig prijselastisch. En die export blijft groeien, ondanks de sterke euro." Dreger vergelijkt dat met de Griekse concurrentiepositie. Het voorbije decennium werd de groei in Athene vooral aangewakkerd door geleend geld via goedkope rentevoeten. Het was een kunstmatige binnenlandse consumptiegroei, op krediet. Het ontbeert Griekenland aan competitieve producten. De handelsbalans met Duitsland is al jaren negatief. "Ik betwijfel of de Grieken hun export beduidend kunnen verhogen. Het grootste deel bestaat uit textiel en voeding. Dat zijn erg prijsgevoelige consumptiegoederen. De Griekse politici zullen dus een beleid moeten voeren van lagere lonen." Het zuiden wacht een jarenlange vermageringskuur. Met fetakaas heeft Griekenland een gezond product. Jammer genoeg levert dat belangrijke exportproduct niet erg veel toegevoegde waarde. Het is tekenend dat de Griekse vermageringsmeesters, met vooraan premier George Papandreou, zich laten rijden in Duitse luxewagens. Vandaag kikt de hele wereld op dure, maar zeer competitieve merken als Audi, BMW en Mercedes. WOLFGANG RIEPL IN BERLIJN EN FRANKFURT "Er is geen eurocrisis, maar een crisis van landen met een te hoog overheidstekort" Carl-Ludwig Thiele, Bundesbank "Loonmatiging is niet de essentie van het Duitse concurrentiesucces" Christian Dreger, DIW