In de krant stond te lezen dat onder de fiscalisten die de eerste minister hebben vergezeld tijdens zijn promotietrip naar de Verenigde Staten, werd gefluisterd dat de notionele interestaftrek de Belgische schatkist veel meer gaat kosten dan begroot. Namen werden niet genoemd. Niemand wou als spelbederver worden gebrandmerkt.
...

In de krant stond te lezen dat onder de fiscalisten die de eerste minister hebben vergezeld tijdens zijn promotietrip naar de Verenigde Staten, werd gefluisterd dat de notionele interestaftrek de Belgische schatkist veel meer gaat kosten dan begroot. Namen werden niet genoemd. Niemand wou als spelbederver worden gebrandmerkt. Maar dat de boodschap waarschijnlijk juist is, wordt door niemand nog ontkend. Kabinetsmedewerkers van de minister van Financiën geven het zelfs publiekelijk toe. Vanwaar die budgettaire ontsporing? Je mag ervan uitgaan dat de minister van Financiën de financiële kostprijs van de operatie heeft berekend aan de hand van een schatting van het eigen vermogen van alle Belgische vennootschappen samen. De aftrek voor risicokapitaal - zoals de notionele interestaftrek officieel heet - is immers gelijk aan een bepaald percentage van het gecorrigeerde eigen vermogen van de vennootschap. Intussen weten we dat dit percentage voor het eerste jaar (aanslagjaar 2007) gelijk is aan 3,442 % (voor 'kleine' vennootschappen te verhogen met 0,5 procentpunten, dus 3,942 %). De berekening van de financiële kostprijs moet op die manier een makkie zijn. Je neemt het geraamde totaal van het eigen vermogen van alle vennootschappen samen, past daar het percentage op toe, en berekent vervolgens hoeveel vennootschapsbelasting alle vennootschappen samen op die manier uitsparen. Onbekenden. Maar zo eenvoudig is het niet. Er zijn immers enkele gegevens in het spel waarop niemand op dit ogenblik zicht heeft. Zij hebben om te beginnen te maken met de berekeningsgrondslag zelf. Die bestaat, zoals gezegd, uit het 'gecorrigeerde eigen vermogen' van de vennootschap. Dat is allesbehalve een vast gegeven. Iedereen kan dat beïnvloeden. Elke adviseur van vennootschappen die zichzelf een beetje respecteert, is op dit ogenblik druk in de weer om te bekijken of en hoe het gecorrigeerde eigen vermogen van zijn cliënten kan worden bijgestuurd. Een van de correcties die op het eigen vermogen moeten worden toegepast, bestaat erin dat het moet worden verminderd met de aandelen die onder de financiële vaste activa zijn geboekt. Bijgevolg ligt het voor de hand dat je nagaat of die aandelen niet op een andere wijze kunnen worden geboekt. Met dien verstande dat je wel moet uitkijken. Aandelen die niet onder de financiële vaste activa worden geboekt, moeten weliswaar niet worden afgetrokken van het eigen vermogen (voor de toepassing van de notionele interestaftrek), maar geven dan weer geen recht op de aftrek van definitief belaste inkomsten (DBI). Een andere oplossing kan erin bestaan de aandelen gewoon te verkopen (al dan niet aan een andere vennootschap van dezelfde groep). De meerwaarden die de vennootschap daarbij realiseert, zijn bovendien belastingvrij. In plaats dat de aandelen moeten worden afgetrokken van het eigen vermogen, dikt dit vermogen dus nog aan. Vehikels. Een andere grote onbekende is dat niemand op dit ogenblik weet hoe en in welke mate vennootschapsgroepen hun financieringsstromen zullen herorganiseren om zoveel mogelijk notionele interestaftrek te kunnen inpalmen. Een heel eenvoudig voorbeeld. Stel dat vennootschap A geld nodig heeft. Zij kan dan gewoon naar de bank gaan en een lening aangaan. De interesten die zij betaalt, zijn fiscaal aftrekbaar. Einde van het verhaal? Vandaag niet meer. In plaats van zelf rechtstreeks naar de bank te gaan, kan de geldbehoevende vennootschap dit overlaten aan een andere groepsvennootschap die het geleende geld vervolgens inbrengt in een tussenliggende financieringsvennootschap, die het geld daarna uitleent aan de vennootschap die het effectief nodig heeft. Weliswaar een beetje ingewikkelder, maar het fiscale voordeel ligt voor de hand. De interest blijft (in het geheel van de keten) fiscaal aftrekbaar, terwijl in hoofde van de tussenliggende financieringsvennootschap het graantje van de notionele interest wordt meegepikt. Gebruik of misbruik? Niemand die daar vandaag het antwoord op weet. Al reppen ze zich op kabinetsniveau wel om te verkondigen dat dergelijk gebruik waarschijnlijk naar misbruik neigt (terwijl datzelfde kabinet zedig vergeet te melden dat de coördinatiecentra al jaren dezelfde techniek toepassen). Om het voordeel van de notionele interestaftrek te genieten, hoef je je trouwens niet te beperken tot opzichtige schema's waarbij financieringsstromen even 'pour le besoin de la cause' over een tussenliggend financieringsvehikel worden geleid. Met wat creativiteit zijn andere, minder opvallende schema's mogelijk. Maar de kern van het verhaal komt altijd op hetzelfde neer: winst afleiden naar een tussenvennootschap om daar het voordeel van de notionele interest te kunnen genieten. In een internationale context is dat (vanuit Belgisch perspectief) niet erg. Het gaat om 'omgeleide' winst die anders toch aan onze nationale fiscus zou voorbijgaan. In een nationale context gaat het echter om een rechtstreekse beïnvloeding van de totale grondslag van de vennootschapsbelasting. Afwachten of de Belgische schatkist tegen zo'n aanslag bestand zal zijn. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck