"Ik zal eens aan Nik Van Larebekes oren moeten trekken," reageert Jan Baeyens nogal schalks op de hetze die vorige week ontstond na de presentatie van het eindrapport over de Isvag-oven in Wilrijk. Volgens Baeyens, voorzitter van de Commissie Verbranding en Rookgassen, hebben de experts wel degelijk unaniem hun goedkeuring gegeven aan de heropstart van de verbrandingsinstallatie.
...

"Ik zal eens aan Nik Van Larebekes oren moeten trekken," reageert Jan Baeyens nogal schalks op de hetze die vorige week ontstond na de presentatie van het eindrapport over de Isvag-oven in Wilrijk. Volgens Baeyens, voorzitter van de Commissie Verbranding en Rookgassen, hebben de experts wel degelijk unaniem hun goedkeuring gegeven aan de heropstart van de verbrandingsinstallatie. Baeyens: "Mijn Gentse collega speelt het spel niet correct als hij nu de conclusie aanvecht. Samen met Luc Hens ( VUB) vertegenwoordigt Van Larebeke de groene fractie in de dioxinewerkgroep. Waarschijnlijk heeft de milieubeweging hen op de vingers getikt en trekken ze nu hun staart in." Het advies is duidelijk: na de nodige aanpassingen is de exploitatie van de oven aanvaardbaar. Milieutechnisch beantwoordt de installatie aan de strengste normen (een emissie van 0,1 nanogram). Toen Isvag stillag, steeg de dioxine-uitstoot in de omgeving zelfs lichtjes. "Dat wijst erop dat de vervuiling wordt veroorzaakt door externe bronnen," aldus Baeyens. Dit standpunt typeert milieutechnoloog Baeyens op-en-top. De man, aan de KU Leuven gespecialiseerd in poedertechnologie, heeft meer weg van een vlotte verkoper dan van een wereldvreemde professor. Hij is altijd meer een praktijkman dan een academicus geweest. Jan Baeyens - geboren in 1946 - is bezeten van de wetenschap. Van kindsbeen af verslindt de zoon van een huisschilder uit Beersel de wetenschappelijke - maar voor de leek moeilijk begrijpelijke - uitgaven van het vaktijdschrift Natuur & Techniek. Als jonge kerel leest hij boeken over kwantumtheorie. Maar de broeders sturen hem naar Sint-Thomas in Brussel om onderwijzer te worden. Lesgever zal Baeyens inderdaad worden, maar niet in het lager onderwijs. Jan Baeyens krijgt van zijn vader toelating om verder te studeren. In 1968 is hij industrieel ingenieur nucleaire wetenschappen. Drie jaar later sleept hij de titel van burgerlijk ingenieur scheikunde (KU Leuven) in de wacht. Tijdens zijn legerdienst is de ingenieur actief binnen de NBC-dienst, die zich toelegt op nucleaire, biologische en chemische oorlogvoering. In 1974 promoveert Baeyens tot doctor in de toegepaste wetenschappen aan de gerenommeerde Postgraduate School of Powder Technology aan de universiteit van Bradford (Engeland). Toch kiest de studax voor de privé-sector. Samen met de briljante mijningenieur Emiel Puttaert - de vader van de Vlaamse milieutechnologie - en Fernand De Geyter - nu verbrandingsspecialist bij de Vlaamse Maatschappij voor Afvalrecuperatie ( Vlar) - maakt hij Seghers Engineering groot. Baeyens leert er ook hoe hij machines moet bouwen. Tijdens deze pioniersperiode legt de projectingenieur zich hoofdzakelijk toe op afvalwaterzuivering en slibverbranding. Met wetenschappelijke hulp van de universiteiten ontwikkelt hij de wervelbedcentrales en de kalkovens die nu nog altijd door Dynamec - dochter van de Seghers Better Technology Group - aan de man worden gebracht. Ook de verfijnde rookgaswassing is van zijn hand. Voor de milieugroep uit Willebroek ontwerpt Baeyens - met zijn kleine gestalte en ronde bril een opvallende figuur in de wereld van de overheidscontracten - de verbrandingsinstallaties voor huishoudelijk afval in Brugge, Mechelen en andere Vlaamse steden. Op het einde van zijn loopbaan bij Seghers Engineering is het Brabants trekpaard - zoals hij toen wordt genoemd - zelfs betrokken bij de eerste tekeningen van de Isvag-oven in Wilrijk, het dossier dat nu alle krantenkoppen haalt. Hij ontplooit er ook zijn commerciële talenten en weet zelfs installaties tot in Afrika te verkopen. Tijdens één van zijn bezoeken aan Madagascar leert de ingenieur de familie Vandemoortele van het gelijknamige proteïnebedrijf kennen. In 1981 krijgt hij van hen an offer he couldn't refuse. Maar na drie jaar houdt Baeyens het voor bekeken: het dagelijkse pendelen tussen Tremelo en Izegem duurt hem iets te lang. Hij stapt over naar Sipef van de Groep Bracht uit Schoten, leverancier van grondstoffen. In 1983 wordt Baeyens ook opnieuw gastdocent poedertechnologie aan de universiteit van Bradford. Als KU Leuven-professor Paul Van Rompay - zijn mentor bij de burgerlijk ingenieurs - hem in 1987 vraagt om deeltijds docent milieutechnologie te worden, aarzelt Baeyens geen seconde. Tegelijk vestigt de MER-deskundige ( Milieu-Effectenrapport), gespecialiseerd in lucht en water, zich als zelfstandig consulent voor het bedrijfsleven. Op zijn referentielijst prijken onder meer Henkel, BASF, Interbeton en Dow. Af en toe voert Baeyens ook een opdracht uit voor de overheid. Zo is de eerste inventaris van de dioxine-uitstoot uit 1994 van zijn hand. Tussen 1988 en 1990 is hij bestuurder bij de Stichting Leefmilieu, een dochter van KBC Bank. Sinds 1993 geeft hij gastcolleges aan de universiteit van Antwerpen en Gent. In totaal staan een vijftigtal wetenschappelijke artikelen op zijn naam. Ook publiceerde hij het Vlaamse standaardwerk over afvalwaterzuiveringstechnieken, uitgegeven door Kluwer. En vandaag werkt hij aan een boek over luchtzuivering. In november 1997 benoemt minister van Milieu Theo Kelchtermans (CVP) Jan Baeyens tot voorzitter van de Commissie Verbranding en Rookgassen, die al vlug zijn naam draagt. Na één jaar werking zet de werkgroep het licht op groen voor de heropstart van Isvag. De experts worden voortaan ook bevoegd voor alle industriële processen die schadelijke emissies de lucht inblazen. Baeyens: "Dezelfde normen voor iedereen. Daar heb ik altijd voor gepleit. Het gaat toch niet op dat Union Minière, Sidmar of crematoria zonder problemen honderd keer meer dioxines mogen uitstoten dan verbrandingsovens. Dit probleem gaan wij nu aanpakken. Niet voor niets stelt de nieuwe milieuwetgeving voor ferro en non-ferro een richtwaarde voorop van 0,5 nanogram toxicologisch equivalent per kubieke meter lucht." ERIC POMPEN