Zoals de euro lijkt ook het Europese voetbal zijn beste tijd te hebben gehad. De beste spelers in de Europese competitie zijn geen Europeanen meer. Denk maar aan voetballer van het jaar Lionel Messi (een Argentijn) of de ster van de Champions League-finale in München, Didier Drogba (een Ivoriaan). De nationale ploegen zijn niet meer de beste ploegen. Dat wisten we natuurlijk al lang, maar nog nooit werd het zo duidelijk geïllustreerd als op het EK in Polen en Oekraïne.
...

Zoals de euro lijkt ook het Europese voetbal zijn beste tijd te hebben gehad. De beste spelers in de Europese competitie zijn geen Europeanen meer. Denk maar aan voetballer van het jaar Lionel Messi (een Argentijn) of de ster van de Champions League-finale in München, Didier Drogba (een Ivoriaan). De nationale ploegen zijn niet meer de beste ploegen. Dat wisten we natuurlijk al lang, maar nog nooit werd het zo duidelijk geïllustreerd als op het EK in Polen en Oekraïne. Nationale voetbalploegen lijken in velerlei opzichten op nationale overheden: zoals nationale overheden geen greep meer hebben op hun economie, hebben nationale voetbalploegen geen grip meer op de kwaliteit van hun voetbal. Wij, economen, dachten altijd dat voetbal een grote positieve 'nationale' invloed had. In onze globaliserende wereld werd voetbal traditioneel beschouwd als een van de weinige overblijvende nationale-identiteitsverhogende activiteiten. Denk aan de viering van de overwinning van de Franse voetbalploeg in het wereldkampioenschap voetbal in Frankrijk in 1998. Het leidde tot nationale waardering voor de allochtone bevolking, een heropleving van het geloof in het eigen Franse kunnen en gaf terloops extreemrechts ook nog een gevoelige politieke klap. Genoeg voor een Frans economisch reveil. Niets daarvan nu. Zelfs in de sport lijkt nationalisme tegenwoordig geen positieve spillovers meer te bewerkstelligen. Het enige domein waar nationalisme aan populariteit wint, is gek genoeg de wetenschap, en dan met name de wetenschappelijke reputatie van universiteiten. Zo'n dertig jaar geleden formuleerde de Amerikaanse onderwijseconoom Howard Rothmann Bowen, ook president van Claremont Graduate University, de zogenaamde wet van Bowen. Die lijkt op het eerste gezicht een tautologie: "de kosten van hoger onderwijs worden bepaald door de beschikbare middelen". Daarom concurreren Amerikaanse colleges en universiteiten typisch op reputatie en prestige, veeleer dan op basis van kwaliteit en prijs. De prikkel voor de universiteiten is dan ook het collegegeld zo veel mogelijk te verhogen. Bowens wet ligt aan de basis van de reputatiewedloop in het hoger onderwijs in de afgelopen dertig jaar. De nationale en internationale rankings van universiteiten hebben die reputatiewedloop versneld. Tezelfdertijd leidt zo'n reputatiewedloop ook tot conformiteit en imitatiegedrag. Zowat alle 900 leden van de Europese universiteitsassociatie willen research universities zijn, omdat zoiets extra prestige meebrengt. Vorige maand werd voor het eerst - in tegenstelling tot de geaggregeerde universiteitsranking van de Shanghai Jiao Tong University en de Times Higher Education Supplement - een gedes-aggregeerde ranking van universiteiten voor zo'n 250 verschillende disciplines gepresenteerd. Interessante lectuur. Want wat blijkt? De grote Amerikaanse universiteiten en het Engelse Oxford en Cambridge uit de top twintig van de Shanghai-ranking scoren ook hoog in praktisch alle disciplines. Maar Europese universiteiten scoren uitzonderlijk hoog in bepaalde gespecialiseerde disciplinegebieden. Met andere woorden, in tegenstelling tot de indruk van totale dominantie en een ongenaakbare wereldreputatie van Amerikaanse Ivy League-universiteiten en het Engelse Oxford en Cambridge, lijken heel wat Europese universiteiten erin geslaagd zich 'slim' te specialiseren zodat zij op die gebieden behoren tot de absolute wetenschappelijke wereldtop. Uit dit oogpunt is het ogenschijnlijke gebrek aan internationale reputatie van Europese universiteiten - zoals dikwijls beleden door Europese politici op basis van de afwezigheid van Europese universiteiten in de wereldtop 50 - iets dat misschien beter toegejuicht zou moeten worden. Het leidt immers niet tot de reputatiewedloop die het Amerikaanse hogeronderwijsstelsel in zijn greep houdt met de neiging collegegelden steeds verder te verhogen. Die namen 440 procent toe over de jongste 25 jaar zonder dat er daadwerkelijk sprake is van enige kwaliteitsverbetering. Door slim te specialiseren weten Europese universiteiten bovendien onderzoekers aan zich te binden die geen behoefte hebben aan nationale reputatie rankschikkingen van universiteiten. Kortom, ook hier lijkt nationalisme niet langer enig positief effect te bewerkstelligen. Zoals in voetbal, kan kwaliteit beter zonder... De auteur is professor economie aan de Universiteit Maastricht. LUC SOETEEuropese universiteiten zijn erin geslaagd zich 'slim' te specialiseren zodat zij op die gebieden behoren tot de absolute wetenschappelijke wereldtop.