Marc Vervenne is geboren in 1949. "Ik stam niet uit een klassiek diepgelovig gezin. Ik heb meegemaakt hoe in de jaren vijftig en vooral zestig het traditionele katholicisme in Vlaanderen vervluchtigde. Een gezonde en open gelovige opvoeding ontving ik wel. Mijn vader had een kritische houding tegenover de kerk als instelling, was een zelfstandige elektricien en dacht liberaal. Mijn moeder was onderwijzeres met een brede belangstelling en een heel open houding. Vader en moeder leven goddank nog allebei. Mijn vader houdt van geschiedenis en economie, en droomde er wellicht van dat zijn oudste zoon, ik, ingenieur zou worden. Religieuzen telde de familie niet. Mijn ouders zijn geboren tussen 1914 en 1918, en kenden de nasleep van de oorlog in de zogenaamde Verwoeste Gewesten waar het dorpje van mijn jeugd, Geluveld, ligt. Ook dat verscherpte hun werkelijkheidszin. Grootvader aan vaders zijde overleed na vier jaar front in de Belgian Battery kort na het einde van de oorlo...

Marc Vervenne is geboren in 1949. "Ik stam niet uit een klassiek diepgelovig gezin. Ik heb meegemaakt hoe in de jaren vijftig en vooral zestig het traditionele katholicisme in Vlaanderen vervluchtigde. Een gezonde en open gelovige opvoeding ontving ik wel. Mijn vader had een kritische houding tegenover de kerk als instelling, was een zelfstandige elektricien en dacht liberaal. Mijn moeder was onderwijzeres met een brede belangstelling en een heel open houding. Vader en moeder leven goddank nog allebei. Mijn vader houdt van geschiedenis en economie, en droomde er wellicht van dat zijn oudste zoon, ik, ingenieur zou worden. Religieuzen telde de familie niet. Mijn ouders zijn geboren tussen 1914 en 1918, en kenden de nasleep van de oorlog in de zogenaamde Verwoeste Gewesten waar het dorpje van mijn jeugd, Geluveld, ligt. Ook dat verscherpte hun werkelijkheidszin. Grootvader aan vaders zijde overleed na vier jaar front in de Belgian Battery kort na het einde van de oorlog, en was een van de eerste frontsoldaten getroffen door het Duitse mosterdgas. Mijn ooms en tantes spraken over de gruwel van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Die oorlogsbeelden en de herinnering aan vernielingen door mortiervuur leven in mijn gedachten. "In mijn retoricajaar, 1967, kozen drie scholieren voor het seminarie. In 1961, mijn start in het college in Menen, waren dat er acht of negen per jaar. Ik had inspirerende priesters en leken als leraar. De Franse en de Engelse literatuur kregen veel aandacht - Bernanos, Sartre, Gide, Graham Greene. West-Vlaanderen heeft belangstelling voor Noord-Frankrijk en de Franse geest. Het college voedde mijn spirituele belangstelling en bewoog binnen de christelijke traditie, had niks zweverigs en liet ruimte voor twijfel. De godsdienstleraar gaf exegese in het vierde jaar en dat was revolutionair voor scholieren. Bij mij rijpte in het college het verlangen naar authenticiteit. "In mijn eerste jaar in Brugge waren er 32 beginners. Zo'n 150 priester-kandidaten studeerden aan de reien en het seminarie was een intellectueel Mekka. De latere kardinaal Godfried Danneels doceerde liturgie en sacramentologie, en bedde zijn uitermate voortreffelijke cursussen in de antropologie en de letterkunde. Het schuldbewustzijn liet hij ontdekken bij Dostojevski en met hem lazen wij Paul Ricoeur en andere grote denkers. Het Brugse seminarie bruiste en ik bracht zes mooie jaren door in die prachtige stadsabdij. Voor mijn persoonlijke vorming waren ze van onschatbaar belang. "Ik was negen maanden seminarist-soldaat in het militaire hospitaal in Brussel. Een belangrijke ervaring en leerschool was dat neutrale tot zeer ongelovige milieu. De cavalerie oefende voor het hospitaal, op het plein waar vandaag de ULB en de VUB huizen. Na mijn soldatenleven keerde ik terug naar Brugge en begin jaren zeventig verliet vrij onverwachts een groot aantal seminaristen het seminarie. Wellicht de nasleep van het gewoel van mei '68. Ik twijfelde niet aan mijn keuze en dacht na over de monastieke richting of een leven als priester-arbeider. De Trappisten intrigeerden mij en ik correspondeerde met de Bruggeling André Louf, abt van de abdij van de Catsberg in Noord-Frankrijk, tot op vandaag een zeer bloeiende monastieke gemeenschap. Ik verbleef daar kort op proef. Priester-arbeider was eveneens een mogelijkheid en dat nieuwe ideaal was overgewaaid naar Brugge uit Wallonië en Frankrijk. Ik werkte vier maanden in een Brugse ijzergieterij, en na een evaluatiegesprek met de bisschop ging ik verder met dat harde leven in Brussel in de transportsector en later op een bouwwerf, waar ik een jaar metselde en elektriciteit en sanitair installeerde. Dat kende ik van thuis en van op de boerderijen van mijn ooms. "Ik ging weg uit Brugge in juni 1973 en leerde later mijn vrouw kennen, hoewel zij niet de reden was dat ik het seminarie verliet. Spiritueel zag ik dat het priesterschap en het monnikenleven niet voor mij waren. Ik wilde echter wel mijn intellectuele vorming voltooien en dacht aan de geneeskunde, wat mij sterk aansprak, of de theologie. Ik koos op mijn 26ste voor de theologie. De bronteksten van de joods-christelijke traditie werden mijn studiegebied, dus niet de speculatieve godgeleerdheid maar de 'positieve' theologie met teksten, de natuurwetenschappen, de linguïstiek, de geschiedenis. "Ik heb geen echte mystieke gevoelens en onderging een evolutie. Ik ken uiteraard de mystieke teksten van Johannes van het Kruis en Theresa van Avila. Zij zijn niet kinderachtig, noch naïef en overleven de eeuwen. Ik las intensief Charles de Foucauld , de Franse officier en bon-vivant die een radicale christen werd. Bidden heeft een gemeenschapsaspect, ik val voor sobere vieringen in een sobere omgeving en met sobere woorden. Ik verafschuw elke geestelijke striptease. Ik ben een bijbelwetenschapper, en het kenschetsende van het Oude en het Nieuwe Testament is dat die teksten met de twee voeten op de grond staan, en van de weeromstuit ook hun specialisten. "