Het recente rapport van de afdeling 'Fiscaliteit en parafiscaliteit' van de Hoge Raad van Financiën over 'Belasting op arbeid, werkgelegenheid en concurrentievermogen', heeft tal van commentaren opgeleverd. De meeste daarvan werden geschreven nog voor het rapport goed en wel gepubliceerd was. Nu iedereen het rapport kan lezen, zijn de commentaren verstomd. Allicht - zoals we vorige week hebben geschreven - omdat iedereen nu met eigen ogen kan zien, dat de eerbiedwaardige Hoge Raad niet de baarlijke duivel is waarvoor veel commentatoren hem hebben versleten.
...

Het recente rapport van de afdeling 'Fiscaliteit en parafiscaliteit' van de Hoge Raad van Financiën over 'Belasting op arbeid, werkgelegenheid en concurrentievermogen', heeft tal van commentaren opgeleverd. De meeste daarvan werden geschreven nog voor het rapport goed en wel gepubliceerd was. Nu iedereen het rapport kan lezen, zijn de commentaren verstomd. Allicht - zoals we vorige week hebben geschreven - omdat iedereen nu met eigen ogen kan zien, dat de eerbiedwaardige Hoge Raad niet de baarlijke duivel is waarvoor veel commentatoren hem hebben versleten. Sparen. Dat de Hoge Raad zou pleiten voor een verhoging van de spaarfiscaliteit - zoals zowat overal te lezen heeft ge-staan - is de waarheid geweld aandoen. De Hoge Raad beperkt zich in zijn rapport tot een wetenschappelijke analyse van een aantal denksporen die gevolgd kunnen worden, als en in de veronderstelling dat men de belasting op arbeidsinkomsten zou willen verlagen, en men om de een of andere reden zijn toevlucht niet kan of wil nemen tot een inperking van de overheidsuitgaven. Een verhoging van de spaarfiscaliteit is dan, volgens de Hoge Raad, één van de mogelijke denksporen (naast nog andere denksporen die de Hoge Raad ook onderzoekt). De Raad verdedigt dus geen verhoging van de spaarfiscaliteit, zoals men heeft willen doen geloven, maar zet de verschillende mogelijkheden wetenschappelijk op een rij, wat trouwens zijn taak is. Dat de Raad daarbij geen taboe schuwt - zoals de spaarfiscaliteit nog altijd blijkt te zijn - siert hem. Met taboes komt men geen stap verder. Bankgeheim. Nog zo'n taboe waar de Hoge Raad geen last van heeft, is het fiscaal gebruik van het bankgeheim. Doemdenkers zeggen dat het sleutelen aan de spaarfiscaliteit automatisch een nieuwe 'kapitaalvlucht' op gang brengt. Maar de Hoge Raad doorprikt deze mythe: de Europese "spaarrichtlijn en de integratie in de eurozone verminderen sterk de draagwijdte van de 'kapitaalvlucht'" (pag. 9). De efficiëntie van een mogelijke hervorming van de spaarfiscaliteit vereist volgens de Raad wel dat het fiscaal gebruik van het bankgeheim opgeheven wordt. De Raad vindt dat niet erg. Het fiscaal bankgeheim is volgens hem "meer en meer uit de tijd". Binnen de Europese Unie houden slechts drielidstaten vast aan een fiscaal gebruik van het bankgeheim. Binnen de landen die lid zijn van de Oeso zijn er dat maar vier (op dertig). De Raad stelt vast dat het fiscaal bankgeheim hoe dan ook op termijn moet verdwijnen. De oorzaak is terug te vinden in de Europese Spaarrichtlijn. Deze richtlijn wil bereiken dat alle Europese burgers belasting betalen op de interesten die afkomstig zijn van hun spaarboekjes, obligaties, kasbons enzovoort, ongeacht de lidstaat waar die spaartegoeden aangehouden worden. De richtlijn voorziet daartoe in een gigantisch systeem van informatie-uitwisseling tussen de verschillende lidstaten. In een dergelijk systeem is er geen plaats meer voor een fiscaal bankgeheim. België, het groothertogdom Luxemburg en Oostenrijk hebben verkregen dat zij voorlopig niet moeten meedoen met dit stelsel van informatie-uitwisseling. In plaats daarvan mogen zij de interesten van spaartegoeden aan een Europese bronheffing onderwerpen (de zogenaamde 'woonstaatheffing'). Die bedraagt op dit ogenblik 15 % (het huidige tarief van de roerende voorheffing op interesten). Maar op termijn stijgt het tarief van de woonstaatheffing naar 35 %. Naar Belgische maatstaven is dat een exorbitant hoog tarief. Het staat dan ook in de sterren geschreven dat België vandaag of morgen zal overstappen naar het systeem van de informatie-uitwisseling. Dat is trouwens door de minister van Financiën enkele jaren geleden met zoveel woorden bevestigd. Volgens de Hoge Raad impliceert die overstap dat België het fiscaal gebruik van het bankgeheim naar het belastingmuseum moet verhuizen. Amerika. De Raad merkt terloops trouwens op dat ons land zijn fel gekoesterd fiscaal bankgeheim zelf al in de etalage heeft gezet. In het kader van het nieuw Amerikaans-Belgische dubbelbelastingverdrag is er geen fiscaal bankgeheim meer. Volgens de interne Belgische wetgeving is het de belastingadministratie verboden in de boeken van de banken en andere financiële instellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten. Maar dat verbod is op verzoek van de Amerikaanse belastingautoriteiten op 'non-actief' gezet. Als de Amerikaanse fiscus het vraagt, zal zijn Belgische evenknie wel in de boeken van de Belgische banken mogen neuzen om inlichtingen te verzamelen ten behoeve van belastingheffing in de Verenigde Staten. Kortom, de Hoge Raad laat er geen twijfel over bestaan dat het Belgische fiscale bankgeheim best naar de prullenmand verwezen wordt. Met dien verstande dat het ook hier slechts om 'denksporen' gaat. Het rapport van de Hoge Raad nodigt in ieder geval uit om ook op dit punt de discussie te openen en na te denken over wat in een moderne maatschappij de rol van een fiscaal bankgeheim zou moeten zijn. Het antwoord laat zich raden. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Jan Van Dyck