De prijs voor een vat olie is gezakt naar het laagste peil in zes jaar. Een vat ruwe Amerikaanse olie (WTI) werd vorige week voor het eerst sinds maart 2009 verhandeld voor minder dan 44 dollar. De vooruitzichten gaan alle richtingen uit, vanaf een herstel tot 100 dollar tot een verdere val tot 20 dollar. Maar pessimisme lijkt de overhand te hebben. Gary Cohn, de voorzitter van Goldman Sachs, verwacht een daling tot 30 dollar.
...

De prijs voor een vat olie is gezakt naar het laagste peil in zes jaar. Een vat ruwe Amerikaanse olie (WTI) werd vorige week voor het eerst sinds maart 2009 verhandeld voor minder dan 44 dollar. De vooruitzichten gaan alle richtingen uit, vanaf een herstel tot 100 dollar tot een verdere val tot 20 dollar. Maar pessimisme lijkt de overhand te hebben. Gary Cohn, de voorzitter van Goldman Sachs, verwacht een daling tot 30 dollar. Over het algemeen verwachten de experts niet dat de olieprijs lang onder 40 dollar zal standhouden. De productiekosten (exclusief investeringen) in de Canadese teerzanden en voor de extra zware olie van Venezuela bedragen 35 tot 40 dollar per vat volgens Morgan Stanley. Onder dat niveau hebben de eigenaars van die vindplaatsen er alle belang bij de exploitatie stop te zetten, om te vermijden dat ze financieel verlies lijden. Economisch bekeken staat de olieprijs dus dicht bij zijn dieptepunt, vooral omdat de OPEC onlangs druk van de ketel heeft gehaald. Abdalla El-Badri, de secretaris-generaal van de OPEC, verklaarde dat de olieprijs wellicht weer zal opveren. Saudi-Arabië heeft zijn korting aan Aziatische klanten voor februari teruggebracht van 2 tot 1,40 dollar per vat. Maar dat betekent niet dat het herstel voor heel binnenkort is. Patrick Pouyanné, de algemeen directeur van Total, verwacht niet dat de prijzen in de eerste helft van 2015 stijgen. Het zou zelfs nog veel langer kunnen duren. Mohammad Al Sabban, die tussen 1988 en 2013 adviseur van de Saudische minister van Olie was, vindt dat de grootste olie-uitvoerder van de wereld zich moet voorbereiden op het postolietijdperk. Hij maakt zich niet zozeer ongerust over de piek aan de aanbodzijde, maar wel over de vraag. Daarbij verwijst hij naar de woorden van Ahmed Zaki Yamani, de Saudische minister van Olie tussen 1962 en 1986: "Het stenen tijdperk is niet geëindigd door een gebrek aan steen. Ook het olietijdperk zal eindigen, en dat zal niet gebeuren door een gebrek aan olie." Het aandeel van olie in de wereldwijde energiemix is volgens het Internationaal Energieagentschap al teruggevallen van 46 procent in 1973 tot 31 procent in 2012. Door druk uit te oefenen op de prijzen "veranderen de Saudi's de structuur van de markt en stellen ze de piek in de vraag met vijf à tien jaar uit", zegt Francisco Blanch, het hoofd van de grondstoffenresearch bij Bank of America. De daling van de olieprijs zal ongetwijfeld wegen op de investeringen in alternatieve energieën en energie-efficiëntie. Saudi-Arabië, dat kan rekenen op zeer lage productiekosten van ongeveer 5 dollar per vat, verzekert zich van een groter marktaandeel door een rem te zetten op niet-conventionele bronnen zoals schalieolie. Volgens Baker Hughes is het aantal boringen in de Verenigde Staten sinds oktober al met bijna een vijfde gedaald tot 1317, aangezien de meeste schaliebronnen niet meer rendabel zijn. De sterke vertraging in de exploratie zal zich op termijn ongetwijfeld weerspiegelen in de productie. Het is niet de eerste keer dat Saudi-Arabië de prijzen doet kelderen. Ook eind 1985 overspoelde het de oliemarkt om zijn marktaandeel te verdedigen. Tussen 1981 en 1985 had het land zijn productie moeten terugschroeven met 60 procent onder druk van de ontwikkeling van vindplaatsen in de Noordzee en in Mexico. De oliekoers bereikte toen pas vijf jaar later weer zijn initiële niveau van meer dan 30 dollar. Dat vooruitzicht is beangstigend voor de oliesector, die gewend is geraakt aan dure olie en voorzichtig rekende op een kostprijs tussen 80 en 100 dollar per vat. Volgens Patrick Pouyanné is de enige oplossing de kosten te verlagen. Het investeringsbudget zal opnieuw met 10 procent worden teruggeschroefd tot 26 miljard dollar, waarvan amper 2 miljard dollar voor exploratie. De oliemaatschappijen concentreren zich op de productie en op de voltooiing van de lopende projecten. De oliedienstenbedrijven zijn daarvan de eerste slachtoffers. Ze zien met lede ogen aan hoe de vraag daalt en hoe de concurrentiestrijd die daaruit voortvloeit, weegt op de prijzen. Om de schade te beperken hebben Baker Hughes en Halliburton besloten samen te gaan, waarmee ze 's werelds grootste bedrijf in de sector worden, na Schlumberger. Ook andere bedrijven doen pogingen, maar ze botsen daarbij op heel wat hindernissen. Zo heeft de directie van Compagnie Générale de Géophysique (CGG) de toenaderingspogingen van Technip afgewezen, omdat het de prijs te laag vond. Ondanks de zeer lage prijzen in de oliedienstensector (zie tabel Oliedienstensector in ademnood) blijft voorzichtigheid geboden. Zo heeft Sandra Vandersmissen, equityspecialist bij BNP Paribas Fortis, toegegeven dat ze wacht tot de olieprijs weer stijgt alvorens ze opnieuw belegt in de sector. Voorlopig worden de grote oliegroepen veel minder hard afgestraft op de beurs. Royal Dutch Shell heeft in een jaar zelfs een rendement van 17,5 procent gehaald (koersevolutie plus dividend). De markten hopen dat de hoge dividenden van 3 à 4 procent in de Verenigde Staten (Exxon Mobil, Chevron) en van 5 à 6 procent in Europa (Total, Royal Dutch Shell, BP, ENI, Statoil) gehandhaafd blijven. De oliegroepen hebben een relatief lage schuldgraad (schulden tegenover eigen vermogen), waardoor ze hun aandeelhouders via kredieten kunnen belonen, ondanks de aangekondigde winstdaling. Niettemin zal de daling van de olieprijs de producenten dwingen tot waardeverminderingen. Die zullen hun eigen vermogen beïnvloeden en dus hun schuldgraad verhogen. Hoe langer dat aanhoudt, hoe groter de impact. De uitdaging is des te groter, omdat de sector de laatste jaren zijn dividenden al financierde via kredieten en de verkoop van activa (150 miljard dollar in vier jaar). In 2013 leken de operationele kasstromen niet te volstaan voor de investeringen en de uitkering van dividenden. De belangrijkste reden is de stijging van de kosten, nu de oliegroepen meer en meer afhangen van niet-conventionele oliebronnen die duurder zijn om te exploiteren. CÉDRIC BOITTE