De adel heeft honderd keer meer bestuursleden in de grootste Belgische ondernemingen dan haar sociologisch aandeel in de bevolking (0,2 %). Meer dan twee derde bestaat uit 'oude adel'. Eén op tien van de 3500 grootste Belgische bedrijven wordt geleid door een edelman (zelden -vrouw). Wie een adellijke titel heeft geërfd, maakt statistisch gezien dus een zeer goede kans om door te stromen naar de top van het zakenleven.
...

De adel heeft honderd keer meer bestuursleden in de grootste Belgische ondernemingen dan haar sociologisch aandeel in de bevolking (0,2 %). Meer dan twee derde bestaat uit 'oude adel'. Eén op tien van de 3500 grootste Belgische bedrijven wordt geleid door een edelman (zelden -vrouw). Wie een adellijke titel heeft geërfd, maakt statistisch gezien dus een zeer goede kans om door te stromen naar de top van het zakenleven. De waarheid kent haar rechten. De voorbije jaren ontmoetten we tientallen vertegenwoordigers van de oude adel - al dan niet met kasteel -, en dikwijls straalden die dames en heren iets uit dat we best als "vanzelfsprekende burgerzin" kunnen omschrijven. We kunnen er alleen maar respect voor opbrengen. Toch is er iets fout met het feit dat blauw bloed oververtegenwoordigd is aan de top van het zakenleven. Een en ander wijst op een interne coöptatiepolitiek en een zekere vorm van nepotisme. In een tijd waarin corporate governance de agenda's bepaalt en discriminatie uit den boze is, is het adellijke netwerk misschien zelfs contraproductief voor het bedrijfsleven. Hier klinkt geen pleidooi voor de radicale opheffing van de adel, zoals dat in onze gewesten het geval was tussen 1795 (toen de Franse republiek er een einde aan maakte) en 1815 (toen Willem I de titels opnieuw invoerde om de macht voor zich te winnen). Wel voor een uitdoving van de adelstand. Het meest ondemocratische trekje van de adel is immers de erfelijkheid van sommige titels. Je kan eventueel nog begrijpen dat een bepaalde persoon honoris causa een titel verkrijgt, maar het is een anachronisme dat ook zijn kinderen dat voorrecht krijgen. Daarom wordt dat erfelijk privilege best afgeschaft. Wat met het koninklijke prerogatief dat Albert II het recht geeft "de adeldom te verlenen" (artikel 113 van de Grondwet)? Dit is om dezelfde reden als hierboven beschreven niet meer van deze tijd, want een erfelijk voorrecht. (Net als de monarchie zelf, maar dat is dan weer een ander debat.) Bovendien moeten kandidaat-edellieden koningsgezind zijn en mogen ze zeker geen voorstander zijn van separatisme. In principe worden compromisloze socialisten en liberalen (want republikein) en Vlaams-nationalisten (Vlaams Belang, Spirit en N-VA) dus uitgesloten als kandidaten. Hardleerse vrijzinnigen (in tegenstelling tot intolerante katholieken) onthouden zich ook best. Dat is alles samen ruim de helft van de Vlaamse bevolking. Van de rest wordt 90 % trouwens de facto uitgesloten, want in de voorbije jaren heeft de koning amper 10 % vrouwen in de adelstand verheven. Niet alleen om democratische redenen wordt het koninklijke prerogatief dus best afgeschaft, maar bovendien is het creëren van al die nieuwe graven, baronnen en ridders echt wel oubollig. Nogmaals: dit is geen pleidooi voor het afpakken van de adellijke titels, wel voor het laten uitsterven ervan. Ook de guillotine mag op zolder blijven. Of tegenstanders van adellijke titels vooral degenen zijn die er zelf geen hebben? Misschien wel. Maar ook het tegengestelde is waar. Wie in België is nog voorstander van het behoud van adellijke titels, behalve de edellieden zelf of zij die er een ambiëren? Hans Brockmans