C eci n'est pas un marché. Wie een schilderij wil maken van de Belgische elektriciteitsmarkt, hoeft voor de titel van het doek niet bijzonder creatief uit de hoek te komen. Want tot wanhoop van buitenlandse investeerders telt de Belgische markt, op zich al kleiner dan die van Londen of Parijs, niet één maar vier regulatoren: CREG (federaal), Cwape (Wallonië), Brugel (Brussel) en de VREG (Vlaams). Tot overmaat van ramp bestaat er niet zoiets als een Belgische markt. Er is een Vlaamse, een Waalse en een Brusselse, die elk voor een deel van hun wettelijke kader afhangen van het federale niveau.
...

C eci n'est pas un marché. Wie een schilderij wil maken van de Belgische elektriciteitsmarkt, hoeft voor de titel van het doek niet bijzonder creatief uit de hoek te komen. Want tot wanhoop van buitenlandse investeerders telt de Belgische markt, op zich al kleiner dan die van Londen of Parijs, niet één maar vier regulatoren: CREG (federaal), Cwape (Wallonië), Brugel (Brussel) en de VREG (Vlaams). Tot overmaat van ramp bestaat er niet zoiets als een Belgische markt. Er is een Vlaamse, een Waalse en een Brusselse, die elk voor een deel van hun wettelijke kader afhangen van het federale niveau. De Pax Electrica heeft echter een invloed op elk van die deelmarkten, want de monopoliepositie van Electrabel wordt er voor de komende vijftien jaar gebetonneerd. Erger nog: de aankondiging dat de dochter van de Franse energiereus GDF Suez op de particuliere markt prijzen zal hanteren die min of meer in overeenstemming zijn met die in onze buurlanden, doet veel waarnemers steigeren. Het opvolgingscomité dat die prijscontrole moet doen, holt immers de rol van de federale energieregulator CREG uit. Ook wordt er over de tarieven voor bedrijven zeer opvallend gezwegen. Ten slotte valt te vrezen dat de belofte er in feite op neerkomt dat Electrabel mogelijke concurrenten uit de markt zal houden. Die hebben immers geen toegang tot de goedkope stroom die Electrabel produceert in zijn afgeschreven kerncentrales, en moeten daartegen opboksen met duurdere stroom afkomstig van gas- of kolencentrales. Vertaald: de prijzen op het niveau van de buurlanden brengen, kan in de praktijk betekenen dat concurrenten die wel nog hun investeringen moeten afschrijven, met verlies moeten werken. Het maakt de Belgische markten niet meteen veel aanlokkelijker voor potentiële nieuwkomers. De liberalisering vond voor Vlaamse consumenten al op 1 juli 2003 plaats, terwijl Walen en Brusselaars geduld hebben moeten oefenen tot 1 januari 2007. Voor de bedrijven liggen die data enkele maanden vroeger. Twee tot zes jaar na datum blijkt er echter nog niet veel veranderd. Er blijft immers één constante: de absolute dominantie van GDF Suez. Zowat zeven op de tien Belgen doen voor hun energie een beroep op de Franse energiereus. Nog eens één op de vijf klopt aan bij die andere historische speler, SPE. De spelers die met de liberalisering hun intrede deden, haalden snel zowat één tiende van de markt naar zich toe, maar stagneren nu al een poosje op dat niveau. Verschillende spelers kregen of krijgen weldra nieuwe moeders: SPE krijgt met EDF een nieuwe referentieaandeelhouder, Essent werd overgenomen door het Duitse RWE, en Nuon vond onderdak bij Vattenfall. Bovendien krijgt E.ON door een ruiloperatie met Electrabel weldra een flink stuk productiecapaciteit in België in handen. Maar de vraag is of dit op korte termijn veel verandering veroorzaakt. Het heeft gedeeltelijk te maken met de geringe bereidheid tot overstappen van de gemiddelde Belgische energieconsument. Grote bedrijven hebben daar doorgaans een stevig argument voor: slechts weinig concurrenten zijn momenteel in staat hun de nodige bevoorradingszekerheid te bieden. Het Blue Sky-initiatief, waarbij zeven grote energie-intensieve bedrijven de mogelijkheden onderzochten om zelf een elektriciteitscentrale te bouwen of betere tarieven te bedingen bij Electrabel, is volgens sommigen uit verband gespeeld door Mestrallet en de zijnen. In elk geval werd er sinds de start nog weinig van vernomen. Maar ook de particulieren zijn niet happig om van leverancier te veranderen. Volgens de VREG maakte amper 5,2 procent in 2008 de overstap, of zowat één op de twintig. Ter vergelijking: in het Verenigd Koninkrijk is dat één op de vijf, in Nederland één op de acht. Toch zijn er wel degelijk verschillen tussen de drie Belgische deelmarkten. Mede om historische redenen is het marktaandeel van SPE iets hoger in Wallonië dan in de andere gewesten, en bijgevolg dat van Electrabel iets lager. Wie louter naar de percentages kijkt, ziet dat de nieuwkomers een hoger marktaandeel hebben in Wallonië dan in Vlaanderen, zowel in aantal klanten als in hoeveelheid geleverde energie. De markt waar de liberalisering het minst ver is gevorderd, is Brussel. Op de bedrijvenmarkt hebben SPE en E.ON Belgium nog een aantal contracten in de wacht weten te slepen, waardoor ze het marktaandeel van Electrabel nog nipt onder de 90 procent duwen. Althans wat geleverde energie betreft. Als er wordt gekeken naar het aantal klanten, dan mag de GDF Suez-dochter pronken met een rapportcijfer van liefst 94,6 procent. Dat heeft echter weinig te maken met de commer-ciële aanpak van het bedrijf, maar des te meer met de lokale wetgeving. De Belgische hoofdstad heeft meer dan de andere gewesten te maken met wanbetalers, en breidde daarom de verplichting tot openbare dienstverlening sterk uit. Gevolg: Lampiris is met een markt- aandeel van precies 3 procent een moedige uitdager. Wel één die zijn tanden laat zien: het bedrijf diende een klacht in wegens marktmanipulatie op de elektriciteitsbeurs Belpex. In dat kader deed de Mededingingsautoriteit enkele weken geleden huiszoekingen bij Electrabel en SPE. Het resultaat wordt binnen enkele maanden verwacht. Door Luc Huysmans