In België waren minimumlonen lange tijd alleen in sektorale of ondernemingsgewijze KAO's te vinden. De eerste algemene bepaling komt voor in een interprofessionele KAO van 1975. Deze legt een "gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen" (GGMMI) op voor voltijdse werknemers van minstens 21 jaar. Sinds 1975 is dit GGMMI reëel met circa 8 % toegenomen. Dit is ongeveer evenveel als het konventionele (d.i. in KAO's vastgelegde) loon voor bedienden. De ontwikkeling van beide liep evenwel niet gelijk. Het minimumloon werd in grote mate gevrijwaard tijdens de algemene loonmatiging va...

In België waren minimumlonen lange tijd alleen in sektorale of ondernemingsgewijze KAO's te vinden. De eerste algemene bepaling komt voor in een interprofessionele KAO van 1975. Deze legt een "gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen" (GGMMI) op voor voltijdse werknemers van minstens 21 jaar. Sinds 1975 is dit GGMMI reëel met circa 8 % toegenomen. Dit is ongeveer evenveel als het konventionele (d.i. in KAO's vastgelegde) loon voor bedienden. De ontwikkeling van beide liep evenwel niet gelijk. Het minimumloon werd in grote mate gevrijwaard tijdens de algemene loonmatiging van de eerste helft van de jaren tachtig, waardoor het in die periode een tastbare voorsprong kreeg op het konventionele bediendenloon. Met de ekonomische herleving van het einde van de jaren tachtig begon deze voorsprong evenwel te slinken, om tegen 1993 helemaal te verdwijnen. Tegenover het socio-vitaal minimum volgens de zogenaamde "CSB-norm", tegenover het nationale inkomen per hoofd en vooral tegenover het in reële termen ongeveer verdubbelde bestaansminimum heeft het GGMMI sinds 1975 stelselmatig terrein verloren. Alleen tegenover de minimale werkloosheidsuitkering, die nu reëel ongeveer op hetzelfde niveau ligt als in 1975, is er enige terreinwinst (zie grafieken). In verhouding tot het gemiddeld loon bedraagt het Belgische minimumloon ongeveer 50 %, in Nederland is dat bijna 60 % en in de Verenigde Staten en Canada slechts 35 %. Het minimumloon is bedoeld om vooral jongeren en laaggeschoolde werknemers een billijk inkomen te garanderen en ze aldus te behoeden voor armoede. In feite is het een inefficiënt instrument om armoede en bestaansonzekerheid te beperken. Armoede is immers eerder het gevolg van het ontbreken van een beroepsinkomen dan wel van een te laag beroepsinkomen. Anderzijds verhindert het minimumloon dat de kostprijs van laaggeschoolde arbeid substantieel kan dalen. Om de vraag naar laaggeschoolde arbeid te stimuleren, is een dergelijke daling nochtans aangewezen. Het verlagen van minimumlonen stuit echter vrij vlug op grenzen, want als iemand door te werken nauwelijks meer krijgt dan wanneer hij een uitkering ontvangt, zal van arbeidsbereidheid geen sprake zijn. Het verminderen van de sociale uitkeringen ligt evenmin voor de hand, want voor diegene die er moeten van leven, zijn ze in feite reeds te laag. Een betere manier om de kostprijs van laaggeschoolde arbeid te doen dalen, is daarom het verlenen van een loonsubsidie in de vorm van een vermindering van de sociale-zekerheidsbijdragen voor de werkgever. In België werden de werkgeversbijdragen voor de laagste loonkategorieën vanaf 1 april 1994 verlaagd met 50 %. Deze loonsubsidie wordt progressief verminderd tot 10 % voor een loonniveau dat ongeveer 125 % van het GGMMI bedraagt. Daarboven verdwijnt ze. Deze subsidie blijft een druppel op een hete plaat, te meer daar het niet zeker is hoelang zij zal worden toegekend.