Zonder subsidies mogen de belangrijkste Vlaamse klassieke concerthuizen morgen de deuren sluiten. Geen enkele concerttempel, op het Festival van Vlaanderen na, dekt meer dan de helft van de uitgaven uit eigen inkomsten.
...

Zonder subsidies mogen de belangrijkste Vlaamse klassieke concerthuizen morgen de deuren sluiten. Geen enkele concerttempel, op het Festival van Vlaanderen na, dekt meer dan de helft van de uitgaven uit eigen inkomsten. Het is uiteraard geen verrassende vaststelling. Het leven van een Vlaamse cultuurmanager is bovendien geen pretje. Naar de buitenwereld staat zijn werkweek vooral in het teken van een al dan niet geslaagde programmering van spraakmakende musici en een grootse publiekopkomst en dito handengeklap. Maar binnen de eigen werkwereld wordt zijn takenpakket vooral ingenomen door minder bevlogen zaken als gebouwenbeheer, overleg met de overheid, personeelsbeleid, en de zoektocht naar extra inkomsten. Die combinatie van inspirerende en dorre taken maakt van de job meer een roeping dan een dagtaak. Toch moeten de cultuurjongens zich eens bezinnen. Trends legt drie centrale vragen voor. Eén. Was de wilde (gebouwen)expansie de voorbije jaren wel zinvol? Brugge, Brussel én Gent plaatsten nieuwe of vernieuwde concertzalen in de markt. Dat ook elke (provincie)stad in Nederland een volwaardige concertzaal heeft, is een gemakkelijkheidsargument. Een concertgebouw plaatsen is één zaak, een concertcultuur hebben of kweken is een andere. Uit de praktijk blijkt bovendien dat vooral concerthuizen met krachtig lobbywerk bij politieke overheden goed varen bij subsidierondes. Het verklaart mee het zware verlies bij de privé-initiatieven Flagey in Elsene en de Gentse Handelsbeurs. Flagey vond pas sinds kort de weg naar de Vlaamse subsidiestromen. Twee. Trends pleit niet voor het afschaffen van cultuursubsidies. Maar het klassieke concertwereldje moet wel meer eigen inkomstenbronnen aanboren. De ticketinkomsten bij de grootste concerthuizen dekken gemiddeld slechts een zesde van de uitgaven. Een onhoudbaar laag bedrag. De nogal betuttelende verklaring luidt dan: een verhoging van de participatiegraad. Of een democratisering van de betere cultuur. Dit is voorwaar een gevaarlijk argument. Het impliceert dat democratie een goedkope zaak zou zijn. Maak die tickets dus maar fiks duurder. Het concertpubliek is meer dan bemiddeld. Bovendien is deze kunstvorm elitair. En gelukkig maar, ook al is dat politiek niet correct. Als operazalen een bezettingsgraad van ruim 90 % halen, kan de ticketprijs omhoog. Drie. De muzieksubsidies hebben niet geleid tot lagere uitkoopsommen, de prijs dus die de muziekensembles vragen. Wellicht wou de overheidsregelgever een marksturende werking verkrijgen. Die werking is voelbaar, maar op een wel zeer marktinefficiënte manier. De concerthuizen houden hun ticketprijs onhoudbaar laag, met als gevolg bodeminkomsten. Muziek- ensembles drijven op hun beurt de vraagprijs op, omdat hun werking in ruil voor subsidies veel formeler werd, bijvoorbeeld bij het toepassen van de CAO podiumkunsten. Hoe meer subsidies, hoe duurder de marktprijs, is het vreemde resultaat. Wolfgang Riepl