Wie een diploma hoger onderwijs op zak heeft, beschikt nog altijd over de meeste kansen om snel aan een job te geraken. Gemiddeld genomen is 15 % van de schoolverlaters een jaar na het afstuderen nog werkloos. In het hoger onderwijs ligt dat een stuk lager. Daar draait het rond de 9 %. Wat ook opvalt, is dat de professionele bachelors (de driejarige opleidingen die gelijkstaan met wat vroeger het hoger onderwijs van het korte type werd genoemd) zelfs sneller een job vinden dan universitair afgestudeerden. Bevinden de afgestudeerde bachelors in verpleging, logopedie of chemie zich dan in een bevoorrechte positie? Dat zou een te snelle conclusie zijn.
...

Wie een diploma hoger onderwijs op zak heeft, beschikt nog altijd over de meeste kansen om snel aan een job te geraken. Gemiddeld genomen is 15 % van de schoolverlaters een jaar na het afstuderen nog werkloos. In het hoger onderwijs ligt dat een stuk lager. Daar draait het rond de 9 %. Wat ook opvalt, is dat de professionele bachelors (de driejarige opleidingen die gelijkstaan met wat vroeger het hoger onderwijs van het korte type werd genoemd) zelfs sneller een job vinden dan universitair afgestudeerden. Bevinden de afgestudeerde bachelors in verpleging, logopedie of chemie zich dan in een bevoorrechte positie? Dat zou een te snelle conclusie zijn. Het mes snijdt immers aan twee kanten. Enerzijds zijn de kansen van een professionele bachelor op een job zeer hoog omdat ze via stages al wat beroepservaring hebben opgedaan. Anderzijds zijn er op basis van hun zeer specifieke diploma niet veel uitwijkmogelijkheden. Wie bijvoorbeeld kinesitherapeut is en het ongeluk heeft in een verzadigde markt te moeten zoeken naar een job, heeft weinig opties, tenzij misschien het oprichten van een fitnesscentrum. Ook al geldt het voorspelbare principe dat een jongere een richting moet kiezen waarin hij geïnteresseerd is, vandaag de dag houdt men best twee zaken voor ogen. Primo: algemene opleidingen zoals rechten en economie geven de meeste uitwijkmogelijkheden en verhogen de kansen op een snelle intrede op de arbeidsmarkt. Secundo: een aantal vaardigheden dat niets met opleiding te maken heeft, wordt steeds belangrijker. Vaktechnische competenties zijn gebonden aan het beroep en waren vroeger een garantie voor een hele carrière in dezelfde functie. Maar nu worden sociaalnormatieve competenties steeds belangrijker. Dat zijn de persoonlijke en sociale competenties die relevant zijn voor het uitoefenen van de niet-vaktechnische taken van het beroep. Het gaat bijvoorbeeld over arbeidsmotivatie, nauwkeurigheid, teamgeest, klantgerichtheid, flexibiliteit, loyaliteit, kunnen samenwerken en employability. Die competenties geven de meeste kansen op de arbeidsmarkt omdat de werknemersmobiliteit tussen bedrijven nog enkel kan toenemen. België heeft de op één na hoogste gemiddelde anciënniteit van de Europese Unie. Dat zal veranderen. Onze arbeidsmarkt maakt immers fundamentele wijzigingen door. We bevinden ons in een proces dat volgens specialisten leidt tot een polarisatie binnen de arbeidsmarkt. Jobs in de onderste en bovenste beroepsniveaus nemen in belang toe, en tegelijk vermindert van het aandeel van het middelste beroepsniveau. Laaggeschoolden zullen er altijd nodig zijn, maar anderzijds zal de vraag naar mensen met zeer hoge competenties - zowel inzake opleiding als attitude - toenemen. Jongeren die middelbaar onderwijs hebben gedaan of één cyclus hoger onderwijs, komen in het middensegment terecht waar de kans reëel is dat ze onderbenut gaan worden. Ze bevinden zich in de risicogroep. Verpleegkundigen bijvoorbeeld zullen uiteraard niet snel een probleem hebben. Maar in meer administratieve beroepen is de kans reëel dat er een blijvend overaanbod ontstaat. Diploma's zijn dan niet langer cruciaal maar wel sociaalnormatieve competenties zoals nauwkeurigheid, motivatie, communicatievaardigheden en teamgeest. Het toenemende belang dat bedrijven aan competentiemanagement besteden wijst in die richting. Alain Mouton