Vlaanderen heeft een probleem. We slagen er nog maar zelden in grote bouw- en infrastructuurprojecten in een korte tijd te realiseren. Soms leidt het uitstel ook tot afstel. Bewoners- en andere actiegroepen zijn vaak de kop van Jut, want -- zo klinkt het -- hun nimby-egoïsme (not in my backyard) hypothekeert de vooruitgang in Vlaanderen.
...

Vlaanderen heeft een probleem. We slagen er nog maar zelden in grote bouw- en infrastructuurprojecten in een korte tijd te realiseren. Soms leidt het uitstel ook tot afstel. Bewoners- en andere actiegroepen zijn vaak de kop van Jut, want -- zo klinkt het -- hun nimby-egoïsme (not in my backyard) hypothekeert de vooruitgang in Vlaanderen. Tom Coppens, docent aan de faculteit Ontwerpwetenschappen van de Universiteit Antwerpen, heeft het fenomeen voor zijn doctoraatsstudie onderzocht aan de hand van enkele recente cases. Zijn eerste onderzoeksvraag was: waarom zijn buurtbewoners tegen een project? "Er zijn altijd verschillende redenen om tegen te zijn. Maar het is wel nuttig een onderscheid te maken tussen actievoerders die persoonlijke belangen verdedigen, en mensen die vanuit politieke of ideologische motieven handelen", verklaart Tom Coppens. "Een voorbeeld van die laatste groep zijn activisten de ijverden voor het behoud van het Ferrarisbos. Omdat die mensen tegen het project tout court zijn, is het heel moeilijk met hen tot een compromis te komen. Met mensen die zich vanuit een motief van belangenverdediging tegen het project kanten, kan je meestal wel in onderhandeling treden. Met als eindresultaat een project dat ten dele rekening houdt met hun, vaak terechte, eisen of verwachtingen." Maar waarom zouden projectontwikkelaars of overheden onderhandelen met buurtbewoners? Volstaat het niet dat de plannen voldoen aan de meestal toch al uitgebreide en strenge regelgeving? "Uitgaan van het eigen gelijk en het protest afdoen als een uiting van de verzuring is het domste wat je kunt doen", vindt Coppens. "Je lost het conflict niet op en je riskeert dat het escaleert." Volgens de onderzoeker zijn de meeste projectontwikkelaars zich daar ook van bewust. "Projectontwikkelaars willen niets liever dan dat hun project vooruitgaat en stellen zich daarom meestal pragmatisch op. Bij de overheid ligt het soms moeilijker door conflicten tussen verschillende bestuursniveaus. Een groot project dat vanuit de overheid wordt geregisseerd, is heel vaak het resultaat van een moeizaam bereikt compromis tussen verschillende overheden. Dat wil men niet op de helling zetten door nadien nog eens in onderhandeling te gaan met actiegroepen. Het Oosterweeldossier is daar een schoolvoorbeeld van. Het stadsbestuur van Antwerpen kon niet ingaan op de eisen van de actiecomités omdat het geklemd zat door de afspraken met de Vlaamse overheid. Net zo voor de herontwikkeling van de omgeving van het station Gent Sint-Pieters: dat is een kluwen van afspraken tussen de stad, de Vlaamse overheid en de federale overheid, over investeringen in wegen en andere infrastructuur. Als je daar deelelementen van begint te wijzigen, riskeer je dat je het hele traject moet overdoen." Het buurtprotest voorkomen is nog altijd beter dan het te moeten genezen. Actiecomités kunnen wel degelijk een coalitiepartner zijn voor de projectontwikkelaar, meent Coppens. "Als je inspeelt op bepaalde belangen in de buurt is het niet ondenkbaar dat het verzet omslaat in steun voor het project." Dat hoeft niet altijd spectaculair te zijn: de aanleg van een buurtparkje, maatregelen om de verkeersdruk te verminderen, investeringen in het openbaar domein... ze kunnen allemaal bijdragen tot wat goodwill in de omgeving. "Maar", vervolgt Coppens, "dat vereist wel dat je in gesprek gaat met de buurt, dat je de belangen goed kent, dat je weet waar de gevoeligheden liggen. Als dat lukt, kan je die informatie meenemen en vertalen in het ontwerp." Het verreist ook onderhandelingsmarge. Naar de buurt stappen met een plan dat voor 100 procent vastligt, is volgens Coppens een garantie voor protest. "Uit mijn onderzoek blijkt dat mensen niet zozeer boos zijn om de inhoudelijke aspecten van een project, maar wel omdat hun bezwaren niet gehoord worden. Ze hebben het gevoel dat het project hen wordt opgedrongen. Voor sommigen is het hebben van een stem in het debat belangrijker dan het resultaat. De mindset wordt dan ook volledig anders als je onderhandelt, je verlaat het conflictmodel. Als mensen in conflict gaan, krijg je een discours van winnaars en verliezers. Een echte oplossing is dan veraf. Voor de heraanleg van de kaaien in Antwerpen heeft de stad op voorhand de bewoners geconsulteerd. Niet dat de stad met al hun wensen rekening kan houden, maar ik denk ook niet dat de bewoners dat verwachten. Maar als de buurtbewoners weten dat er naar hen geluisterd wordt, creëert dat welwillendheid." Nog in Antwerpen werd ook geëxperimenteerd met een projectstrategie die budgettair rekening houdt met een onderhandelingsmarge. Een percentage van de investeringsmiddelen werd specifiek vrijgehouden om in te kunnen spelen op de wensen en de eisen van de buurtbewoners. "Het is een manier om ervoor te zorgen dat je nog wisselgeld hebt", zegt Coppens. Wanneer het toch misloopt en het compromis niet gevonden wordt, is bemiddeling een interessante mogelijkheid om een rechtszaak te vermijden. "De partijen doen dan een beroep op onafhankelijke experts om het conflict te ontmijnen", legt Coppens uit. "In de Verenigde Staten is die mogelijkheid opgenomen in de wetgeving en de overheid ondersteunt ze ook door de experts/ bemiddelaars ter beschikking te stellen." In Nederland neemt de Stichting Mediation in Milieu en Ruimtelijke Ordening die taak op zich. "In de VS ligt de succesratio tussen 70 en 80 procent", weet Coppens. "Dat is toch behoorlijk goed. De onafhankelijkheid van de experts is daarbij cruciaal. Informatie die van de projectontwikkelaar komt, is bij de tegenstanders van een project bijna bij voorbaat verdacht. Het heeft dus ook geen enkele zin op basis van die verdachte informatie de discussie aan te gaan. Je kunt beter de bewoners mee laat kiezen wie de studie maakt. Zo krijgen ze vertrouwen." De klassieke hoorzitting, met de initiatiefnemers en de experts op het podium en de buurtbewoners als publiek, is volgens Coppens totaal ongeschikt om smeulend protest te stoppen: "Het werkt zeer polariserend. Alleen al de opstelling, met zo'n podium, zorgt voor een opdeling in twee kampen. In het publiek zit dan ook nog vaak de lokale politieke oppositie, die de boel graag nog wat ophitst. Het wordt al gauw meer een theaterstuk dan iets anders. Je kunt beter in kleine groepen samen om de tafel zitten, of een soort van klankbordgroep samenstellen." Het Postuniversitair Centrum van de KU Leuven/Kulak organiseert een opleiding over het thema 'Gebiedsontwikkeling en vastgoed'. Professor Coppens geeft er een uiteenzetting met als titel: Van NIMBY (not in my backyard) naar PIMBY (please in my backyard). Meer info op http://puc.kuleuven-kulak.be LAURENZ VERLEDENS