In de aanloop naar de Economische en Monetaire Unie (EMU) speelde de evolutie van de loonkosten een belangrijke rol. Op Griekenland na bleven die de loonkosten in alle landen constant of daalden ze.
...

In de aanloop naar de Economische en Monetaire Unie (EMU) speelde de evolutie van de loonkosten een belangrijke rol. Op Griekenland na bleven die de loonkosten in alle landen constant of daalden ze. In een eerste groep landen - met onder meer Oostenrijk, België, Frankrijk, Duitsland, Ierland en Italië - daalden de loonkosten tussen 1994 en 1998 met 4% tot 7%. België kende een afname met 4,3%.Een tweede groep - met onder meer Nederland - kende een beperkte verlaging of bleef status-quo.In de derde 'groep' zat alleen Griekenland: daar stegen de loonkosten met 7%.Ufsia-onderzoekers Alain Borghijs en Philip Ducaju stelden zich de vraag wat de rol van de loonvorming zal zijn voor het verdere verloop van de EMU. Met de EMU zullen individuele landen niet langer hun nationale monetaire politiek kunnen gebruiken om een concurrentiële handicap weg te werken. Vandaar dat de overheid zal proberen een grotere impact te hebben op de loonvorming. Vanuit die invalshoek is een Europese coördinatie van loononderhandelingen erg ongewenst. Bovendien zou zo'n coördinatie kunnen leiden tot hogere looneisen. Toch is het afstemmen van het beleid wenselijk omdat een gebrek eraan zou kunnen leiden tot verschillende loon- en inflatie-ontwikkelingen die geen verband houden met de productiviteitsverschillen. De auteurs stellen dat met de introductie van de euro het makkelijker zal worden om een internationale vergelijking te maken van de lonen, maar dat dit slechts tot een beperkte convergentie zal leiden. De euro zal echter door het verminderen van transactiekosten tot meer handel en meer competitie in de productmarkten leiden. Het gevolg daarvan op de arbeidsmarkt is al eerder bestudeerd en heeft tot verschillende conclusies geleid. Een aantal modellen concludeerde dat meer economische integratie meer coördinatie van het overleg zal betekenen. Probleem is echter dat er hiervoor weinig of geen empirische evidentie bestaat. De enige uitzondering is de samenwerking tussen Belgische, Duitse en Nederlandse vakbonden in de metaalsector.Alain Borghijs en Philip Ducaju hebben een model ontwikkeld dat hiervoor een verklaring poogt te vinden. Ze introduceren een transactiekost in de arbeidsmarkt die het gevolg is van de internationale coördinatie. Als die kost hoog genoeg is, zullen vakbonden optreden als concurrenten en dus hun looneisen temperen. Daalt tengevolge van de economische integratie de transactiekost, dan gaan vakbonden samenwerken waardoor de lonen stijgen. Maar een verdere daling van de kost doet de loonkosten opnieuw dalen.Borghijs en Ducaju concluderen dat de kans groot is dat we naar Europese sectoronderhandelingen evolueren. Omdat individuele landen de lonen dan niet meer kunnen gebruiken als middel om de concurrentiepositie op peil te houden, kan dat problemen geven wanneer er een competitieve druk komt van buiten de eurozone.Alain Borghijs en Philip Ducaju, "EMU and European trade union cooperation", Ufsia, toegepaste economie, research paper 99-013, april 1999.