De vakbonden konden in hun persberichten de euforie nauwelijks onderdrukken: volgens het jaarlijkse rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) verkleinde de Belgische loonkostenhandicap ten opzichte van het vorige rapport van 4,1 tot 3,3 procent. Dat betekent dus dat de loonkosten in België minder snel stijgen dan in onze drie buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland. Gaat het dan met de Belgische concurrentiepositie de goede weg op? Niet echt.
...

De vakbonden konden in hun persberichten de euforie nauwelijks onderdrukken: volgens het jaarlijkse rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) verkleinde de Belgische loonkostenhandicap ten opzichte van het vorige rapport van 4,1 tot 3,3 procent. Dat betekent dus dat de loonkosten in België minder snel stijgen dan in onze drie buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland. Gaat het dan met de Belgische concurrentiepositie de goede weg op? Niet echt. Bij deze CRB-cijfers dienen een heel pak vraagtekens te worden geplaatst. Om te beginnen, gaat het om ramingen die voor dit en volgend jaar slechts op een minieme verkleining van de loonkostenhandicap wijzen. De lonen in België zouden gemiddeld met 3,5 procent stijgen, die in onze buurlanden gemiddeld met 3,8 procent. Een Belgische werknemer is daarmee eind 2010 nog altijd 3,3 procent duurder dan zijn collega's in Duitsland, Nederland of Frankrijk. De CRB berekent de loonkostenhandicap met als referentiejaar 1996. Volgens technologiefederatie Agoria leidt dat tot een halve waarheid. De loonkostenhandicap ten opzichte van onze buurlanden bedraagt niet 3,3 maar 11 procent wanneer de evolutie sinds 1988 in rekening wordt genomen. Tweede grote kritiek op het rapport is dat die 3,3 procent loonkostenhandicap nog altijd slechts een raming is voor 2010. In het verleden is al meer dan eens gebleken dat de CRB met zijn prognose de bal missloeg. Bovendien in de pare jaren - 2004, 2006, enzovoort - bevat het CRB-rapport in de aanloop naar het interprofessionele overleg ook steevast een advies over de na te streven loonnorm of het percentage waarmee de Belgische loonkosten mogen toenemen om ze te laten gelijksporen met die van de buurlanden. Dit jaar is dat dus niet het geval. Toch hebben de CRB-adviezen over de loonnorm een verdere ontsporing van de loonkosten niet kunnen tegenhouden omdat de verwachte uurloonkostenstijging in de buurlanden systematisch werd overschat. Vooral de loonkostenmatiging sinds 1996 in Duitsland speelt België parten. In 2005-2006 stegen de Duitse uurloonkosten met 2,1 procent terwijl ze in België met 5,1 procent toenamen. Ook in 2007-2008 hielden de Duitsers de hand op de knip (+3,2 procent) terwijl de Belgische uurloonkosten met 6,6 procent stegen. De kloof met Nederland en Frankrijk werd een stuk minder groot en in bepaalde periodes - 2005-2006 voor Frankrijk, 2007-2008 voor Nederland - namen de loonkosten bij onze zuider- en noorderburen sterker toe dan in België. Voor 2009-2010 voorspelt de CRB een uurloonkostenstijging van 3,7 procent in Duitsland en 3,5 procent in België. Geert Janssens van denktank VKW Metena plaatst grote vraagtekens bij die voorspelling. "Wie het rapport leest, merkt dat de verwachte loonkostendaling die de CRB vooropstelt, steunt op een betere evolutie van de arbeidstijd in België ten opzichte van Duitsland." Dat heeft te maken met stelsels van tijdelijke werkloosheid die in Duitsland werden ingevoerd. In Duitsland zijn - zoals in België - een groot aantal afspraken gemaakt tussen de sociale partners om het nettoloon van werknemers in tijdelijke werkloosheid aan te vullen met een premie die 75 procent tot soms 90 procent van het verlies aan nettoloon compenseert. Voor de werkgever brengt dat extra kosten per gewerkt uur met zich. Het betekent dat de loonkosten bij tijdelijke werkloosheid verre van proportioneel aan de gewerkte uren verminderen. Janssens vindt het vreemd dat het stelsel van tijdelijke werkloosheid in Duitsland leidt tot een sterkere loonkostenstijging terwijl de impact ervan in België beperkt zou blijven. Ons land kent immers ook een stelsel van tijdelijke werkloosheid. De VKW Metena-studax heeft ook zware kritiek op wat hij het 'statische optimisme' van de CRB noemt. "De optimistische scenario's dreigen iedereen in slaap te wiegen. Het is zeer irrealistisch te denken dat Duitsland als exportgericht land zijn beleid van loonmatiging plots zal laten vallen. Als zou blijken dat de Duitse loonkostenhandicap toeneemt, dan zullen onze oosterburen maatregelen nemen en de cao's bijsturen." Het CRB-rapport verwijst overigens openlijk naar de mogelijkheid om de loondrift in Duitsland in toom te houden: "De crisis sloeg er (in Duitsland, nvdr) bijzonder scherp toe en de recente loonakkoorden laten opnieuw meer ruimte om op ondernemingsniveau via openingsclausules af te wijken van de sectoriële overeenkomst waardoor bedrijven zelf kunnen beslissen om de loonkostenstijging uit de akkoorden te milderen." Janssens heeft ook kritiek op het gebruik van uurloonkosten om België met de buurlanden te vergelijken. "De CRB goochelt met arbeidstijden en dat geeft een vertekend beeld", zegt Janssens. Hij geeft dan ook de voorkeur aan een ander crite-rium: de loonkosten per eenheid product. Die geeft het belang weer van de lonen in de voortbrenging van goederen en diensten. De loonkosten per eenheid product zijn niets meer of minder dan de loonkosten per werknemer gecorrigeerd voor productiviteit. Het voordeel van die maatstaf is dat de discussies over de te verwachten arbeidstijd vervallen. Ook de OESO gaat in haar loonkostenstudies uit van de loonkost per eenheid product. En de situatie is voor België op dat vlak weinig rooskleurig met een loonkostenhandicap van 6,7 procent ten opzichte van 1996. (zie figuur Belgische loonkostenhandicap tegenover EU-3). De vakbonden stellen dat de Belgische loonkostenhandicap niet problematisch is wegens de hogere productiviteit van de Belgische werknemers. Geert Janssens tempert dat syndicale optimisme: "Door de hoge loonkosten staat de werkgelegenheid onder druk en zijn de Belgen met een baan wel verplicht om een hogere productiviteit te halen. Overigens zijn de OESO-cijfers duidelijk: de Belgische productiviteit is nog altijd even hoog als in 1996 maar de loonkosten zijn wel fors toegenomen." En daar zit het probleem: het gedeelte loonkostentoename dat niet onmiddellijk kan worden gecompenseerd door een hogere productiviteit uit zich in een stijging van de loonkosten per eenheid product. Op zijn beurt komt dat neer op een direct verlies aan concurrentiekracht. Sinds 1996 stegen de Belgische loonkosten terwijl het Belgische exportmarktaandeel met 20 procent daalde. Dat van Duitsland steeg met 14 procent. Voor Unizo-topman Karel Van Eetvelt is het duidelijk: "Het verband tussen beide kan niet ontkend worden. Onze dure lonen knabbelen steeds meer aan de competitiviteit van onze ondernemingen en dus aan onze welvaart. Deze evolutie is eindig." Door Alain MoutonVreemd dat het stelsel van tijdelijke werkloosheid in Duitsland leidt tot een sterkere loonkostenstijging terwijl de impact ervan in België beperkt zou blijven.