Het wettelijke pensioen van een zelfstandige stelt niet veel voor. Een gezinshoofd kan wel aanspraak maken op een minimaal wettelijk pensioen van 1336,54 euro per maand, maar daarvoor moet hij 45 jaar als zelfstandige hebben gewerkt. Wie een lagere anciënniteit heeft, krijgt veel minder. Volgens een studie van de KU Leuven bedraagt het gemiddelde pensioen van een zelfstandige slechts 493 euro per maand. Gelukkig kan een zelfstandige die actief is in een eenmanszaak of in een vennootschap zijn wettelijke pensioen op verscheidene manieren aanvullen. Een daarvan is het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ).
...

Het wettelijke pensioen van een zelfstandige stelt niet veel voor. Een gezinshoofd kan wel aanspraak maken op een minimaal wettelijk pensioen van 1336,54 euro per maand, maar daarvoor moet hij 45 jaar als zelfstandige hebben gewerkt. Wie een lagere anciënniteit heeft, krijgt veel minder. Volgens een studie van de KU Leuven bedraagt het gemiddelde pensioen van een zelfstandige slechts 493 euro per maand. Gelukkig kan een zelfstandige die actief is in een eenmanszaak of in een vennootschap zijn wettelijke pensioen op verscheidene manieren aanvullen. Een daarvan is het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ). Het VAPZ behoort tot de zogenoemde tweede pensioenpijler, waarmee alle fiscaal voordelige vormen van extralegaal pensioen worden aangeduid die door bedrijven worden gefinancierd. Tot die pijler behoren ook de groepsverzekering en de individuele pensioentoezegging (IPT). De zelfstandige kan premies voor een VAPZ storten om een kapitaal of een rente te krijgen vanaf de leeftijd van 60 jaar. Naast een uitkering bij leven kan de polis ook voorzien in een uitkering bij overlijden. De premies van een VAPZ zijn fiscaal aftrekbaar als werkelijke beroepskosten. Dat betekent dat ze een fiscale besparing opleveren van maximaal 50 procent -- de marginale aanslagvoet -- plus de uitgespaarde gemeentebelasting. Bovendien heeft de storting van premies voor een VAPZ tot gevolg dat de zelfstandige drie jaar later minder sociale bijdragen moet betalen, aangezien die worden berekend op het nettoberoepsinkomen van drie jaar terug. De zelfstandige kan kiezen tussen een gewoon of een sociaal VAPZ. Tussen beide vormen zijn belangrijke verschillen. Kenmerkend voor een sociaal VAPZ is dat minimaal 10 procent van de premie wordt gebruikt voor zogenoemde solidariteitsprestaties. Die prestaties verschillen van aanbieder tot aanbieder. De aansluiting bij dat solidariteitsstelsel mag niet afhangen van een geneeskundig onderzoek of een vragenlijst. Wordt een zelfstandige die een sociaal VAPZ heeft afgesloten arbeidsongeschikt door ziekte of een ongeval, dan betaalt de verzekeraar de premies tot de verzekerde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een zelfstandige met een gewoon VAPZ kan in die omstandigheden geen premies meer betalen. Verzekeraars die een sociaal VAPZ aanbieden, dekken vaak het inkomensverlies bij een tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid van de zelfstandige, zodat die een aanvullend inkomen heeft zolang hij niet kan werken. Sommige polissen van een sociaal VAPZ voorzien in een forfaitaire vergoeding om de kosten van een ernstige ziekte te dekken. Die ziekte moet als ernstig worden erkend door het ministerie van Sociale Zaken; dat is bijvoorbeeld het geval voor kanker, leukemie, multiple sclerose, tuberculose, parkinson, de ziekte van Hodgkin en diabetes. Voor vrouwelijke zelfstandigen die na een bevalling zwangerschapsverlof nemen, kan de verzekeraar gedurende een aantal kalenderkwartalen de VAPZ-bijdragen voor zijn rekening nemen. Een sociaal VAPZ wordt fiscaal aangemoedigd, omdat 15 procent meer premies kunnen worden afgetrokken dan bij een gewoon VAPZ. Voor een gewoon VAPZ mag tot 8,17 procent van het beroepsinkomen aan sociale bijdragen worden betaald, voor een sociaal VAPZ bedraagt het maximum 9,40 procent van het beroepsinkomen. De betaalde premie voor een gewoon VAPZ kan nooit hoger zijn dan 3017,73 euro per jaar (bedrag geldig voor het inkomstenjaar 2013); voor een sociaal VAP is dat 3472,04 euro (bedrag geldig voor het inkomstenjaar 2013). Er gelden ook minimumbedragen voor de premies: voor een gewoon VAPZ is dat 100 euro; voor een sociaal VAPZ 111,12 euro. Wettelijk moet de verzekeraar minimaal 10 procent van de premie storten in het solidariteitsdeel van het sociale VAPZ. Dat betekent dat de zelfstandige nog altijd 5 procent meer pensioen kan opbouwen met een sociaal VAPZ dan met een gewoon VAPZ. Een voorbeeld: Jan is een veertigjarige zelfstandige met een netto belastbaar inkomen van 37.500 euro per jaar. Op 65 jaar gaat hij met pensioen. Voor de raming van zijn pensioen gaat hij uit van een gewaarborgde rentevoet van 2,25 procent per jaar op de stortingen voor zijn VAPZ, een winstdeelneming van 1,50 procent per jaar en een indexering van 2 procent van de jaarlijkse premies. Jan betaalt elk jaar tot zijn pensioen, dus 25 jaar lang, de maximale premie voor een gewoon VAPZ (3017,73 euro voor 2013). Als hij tijdens zijn professionele carrière niet arbeidsongeschikt wordt, krijgt hij op zijn 65ste een pensioenkapitaal van 143.893,43 euro, dat bestaat uit een gewaarborgd kapitaal van 116.580,85 euro en een geraamde winstdeelneming van 27.312,58 euro. Wordt hij op zijn 50ste blijvend arbeidsongeschikt door ziekte of een ongeval, dan kan hij geen verdere bijdragen meer storten. Vanaf 50 jaar valt zijn pensioenopbouw via het gewone VAPZ dus stil. Jan spaart elk jaar tot zijn pensioen, dus 25 jaar lang, de maximale premie voor een sociaal VAPZ (3472,04 euro voor 2013). Als hij tijdens zijn beroepscarrière niet arbeidsongeschikt wordt, krijgt hij op zijn 65ste een pensioenkapitaal van 149.001,43 euro, dat bestaat uit een gewaarborgd kapitaal van 120.719,30 euro en een geraamde winstdeelneming van 28.282,13 euro. Wordt hij op zijn 50ste arbeidsongeschikt, dan treedt het solidariteitsmechanisme van de polis in werking. We gaan ervan uit dat het bestaat uit meerdere waarborgen. De verzekeraar betaalt de premies voor het VAPZ tot Jan de pensioenleeftijd bereikt. Hij krijgt ook een aanvullende maandelijkse uitkering, die in zijn geval 10 procent van zijn pensioenbijdrage bedraagt. De pensioenbijdrage is gelijk aan de totale VAPZ-premie (3472,04 euro) min 10 procent solidariteitsbijdrage (347,20 euro), of 3124,84 euro. Hij krijgt daardoor een maandelijkse uitkering van 312,48 euro (10 %), of 937,44 euro per kwartaal. Jan krijgt die rente vijftien jaar lang tot zijn 65ste, in totaal dus 56.246,40 euro. Jan kan ook rekenen op een uitkering als hij ernstig ziek wordt; die bedraagt in zijn geval 6249,68 euro. Deze eenmalige uitkering is vrij van belasting. Het sociale VAPZ is niet alleen fiscaal interessanter door de hogere aftrekbaarheid van de premies (+15 %), het leidt ook tot een hogere pensioenopbouw (5108 euro) en het levert aanvullende uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid op (62.496,08 euro). Is een sociaal VAPZ voor een zelfstandige een goede reden om geen verzekering gewaarborgd inkomen af te sluiten? "Absoluut niet, want voor een verzekering gewaarborgd inkomen, die eveneens voorziet in een vervangingsinkomen bij arbeidsongeschiktheid, kan een zelfstandige een veel hogere premie betalen dan de extra premie voor een sociaal VAPZ", zegt Jannick Beyens, specialist in aanvullende pensioenen van Unizo en het socialeverzekeringsfonds Zenito. De mogelijke uitkering bij een sociaal VAPZ is dan ook veel lager dan die bij een verzekering gewaarborgd inkomen. "Als de zelfstandige nog geen verzekering gewaarborgd inkomen heeft, dat ook niet nodig vindt, maar toch in iets wil voorzien voor het geval dat hij arbeidsongeschikt wordt, is het zeker te overwegen dat met een sociaal VAP te doen. Beschikt de zelfstandige al over een verzekering gewaarborgd inkomen, dan is dat evenmin een reden om geen sociaal VAPZ af te sluiten." Kunnen een VAPZ en een individuele pensioentoezegging (IPT) met elkaar worden gecombineerd? "Zo'n combinatie is toegestaan, op voorwaarde dat de 80 procent-regel wordt gerespecteerd", zegt Jannick Beyens. Dat betekent dat het pensioen dat via de groepsverzekering, de IPT en het VAPZ wordt opgebouwd, samen met het wettelijke pen-sioen van de zelfstandige op jaarbasis niet meer mag bedragen dan 80 procent van zijn laatste normale brutoloon. "Ik ben voorstander om beide samen te voegen, waarbij het VAPZ op de eerste plaats komt", zegt Beyens. "Een groepsverzekering of een IPT kan een nuttige investering zijn om het pensioenkapitaal van het VAPZ aan te vullen. De recente regeringsmaatregelen bevestigen die stelling." Bij een groepsverzekering of een IPT bedraagt de eindbelasting tussen 20 en 10 procent: 20 procent op 60 jaar, 18 procent op 61 jaar, 16,5 procent op 62 tot 64 jaar en 10 procent op 65 jaar, als de zelfstandige tot die leeftijd beroepsactief is gebleven. Is dat op zijn 65ste niet meer het geval, dan bedraagt de belasting 16,5 procent. Daarbovenop komt een Riziv-inhouding van 3,55 procent en een solidariteitsbijdrage van 2 procent. Het VAPZ biedt in vergelijking met een groepsverzekering en een IPT een mildere eindbelasting via een fictieve rente. Er is bovendien geen premiebelasting van 4,4 procent verschuldigd, wat bij een groepsverzekering en een IPT wel het geval is. JOHAN STEENACKERSMet een sociaal VAPZ mag de zelfstandige 15 procent meer premies aftrekken dan met een gewoon VAPZ. Het sociale VAPZ bevat belangrijke waarborgen voor het geval dat de verzekerde tijdens zijn beroepscarrière arbeidsongeschikt zou worden.