Vlaamse transfers (1)

Proficiat met uw opiniestuk 'De bangeriken die ons leiden' (Trends, 22 juli 2004, blz. 100).
...

Proficiat met uw opiniestuk 'De bangeriken die ons leiden' (Trends, 22 juli 2004, blz. 100). Ik vraag me af hoelang de politieke leiders, de CD&V op kop, nog nodig hebben om een einde te maken aan de grote transfers van Vlaanderen naar Wallonië. Als er in dit land één gemeenschap het recht heeft om compensaties te eisen, dan toch wel de Vlaamse gemeenschap zeker. Ik vraag me af hoelang onze bangeriken nog nodig hebben om dat te erkennen en op tafel te leggen bij onderhandelingen met de Franstaligen. Als België daarvoor moet barsten, dan moet het maar, wij zijn altijd beter af in die nieuwe situatie. Deze transfers nog langer instandhouden kan zelfs een misdaad tegen de mensenrechten genoemd worden. Ik twijfel niet aan de juridische juistheid van deze studie, maar vraag me af of we de lijn tussen Vlaanderen en Wallonië niet te scherp trekken. Ik ben de kleinzoon van een Waal uit Heure-le-Romain (boven Luik). Ik kan u verzekeren dat deze streek geen weelde kende, en nog niet kent. Ikzelf bezit wat grond ten zuiden van Namen. Ook daar, zeker dertig jaar geleden, was er geen sprake van weelde. Ik heb ook familie (personeel van de NMBS) die voor 1940 in de Borinage is terechtgekomen. Onnodig te zeggen dat ik ook daar geen weelde heb gezien. De vraag is dan ook: waar is al dat geld naartoe? In de dorpen op de taalgrens is de ene boerderij Waals en de andere Vlaams. In onze Vlaamse steden bestaat er een Franstalige kern. Als Vlamingen moeten wij 'op onze poot staan', maar dan met kennis van heel het probleem. En onze politici moeten de kwestie hoffelijk op de Belgische tafel leggen. Ik kan akkoord gaan met de mening van een van de IAB-leden (Trends, 5 augustus 2004, blz. 64) die stelt: "De overheid is volledig onbetrouwbaar. Het zijn legale oplichters." Een voorbeeld. Al in de jaren tachtig was de financiering van de pensioenen een heet hangijzer. De oplossing luidde toen: 'aftopping'. De bedrijfspensioenen van de kaderleden van een paar parastatale instellingen werden afgetopt. De politici konden dat ideetje makkelijk verkopen, want aan de kiezers werd duidelijk gemaakt dat de politiek niet te beroerd was om aan het vel van 'de dikken' te zitten. Natuurlijk beschouwden de kaderleden de wet als een gelegaliseerde diefstal. Het verhaal won aan sterkte na 1992, toen de financiële parastatalen (banken) door de politici geprivatiseerd werden. Voor de kaderleden van de geprivatiseerde instellingen gold de aftopping niet meer. Bovendien verwisselden de nieuwbakken kaderleden hun bediendestatuut prompt voor een zelfstandigenstatuut, waarvoor andere fiscale normen gehanteerd werden. Vandaag wordt het probleem van de vergrijzing veralgemeend. Het zal niet enkele tientallen 'dikken' treffen, maar de massa. Misschien worden de politici binnen twintig jaar niet alleen door een paar kaderleden uit de jaren tachtig maar door een meerderheid van de huidige bevolking beschouwd als "volledig onbetrouwbaar" en "legale oplichters". In uw opiniestuk 'Een eigen arbeidsmarktbeleid voor Vlaanderen' (Trends, 5 augustus 2004, blz. 92) gaat u in tegen de verwijten van voornamelijk Franse en Vlaamse progressieven dat de Vlamingen pure egoïsten zijn wanneer ze ijveren voor meer autonomie. De Vlaamse onverdraagzaamheid rukt op, zeggen ze. Verder dan loze verwijten komen ze echter niet. Reageer dus vooral niet op zulke lage beschuldigingen.