Corruptie brengt de wereldeconomie meer schade toe dan terrorisme. Sommigen bepleiten daarom een 'global war' tegen corruptie, naar analogie van de oorlog tegen terrorisme van George W. Bush. Dat vertaalt zich in reguleringen en wetten waaraan bedrijven, groot en klein, worden geacht zich te houden op straffe van sancties. Meestal worden reputaties aan de publieke schandpaal gespijkerd, wat een onderneming ernstige schade kan berokkenen; soms zijn sancties juridisch afdwingbaar. Ondernemingen kunnen dus (mee) verantwoordelijk worden gesteld voor malversaties. Niet alleen in troebele gebieden als Congo, ook in Bulgarije, China, Indonesi...

Corruptie brengt de wereldeconomie meer schade toe dan terrorisme. Sommigen bepleiten daarom een 'global war' tegen corruptie, naar analogie van de oorlog tegen terrorisme van George W. Bush. Dat vertaalt zich in reguleringen en wetten waaraan bedrijven, groot en klein, worden geacht zich te houden op straffe van sancties. Meestal worden reputaties aan de publieke schandpaal gespijkerd, wat een onderneming ernstige schade kan berokkenen; soms zijn sancties juridisch afdwingbaar. Ondernemingen kunnen dus (mee) verantwoordelijk worden gesteld voor malversaties. Niet alleen in troebele gebieden als Congo, ook in Bulgarije, China, Indonesië of Peru. Ondernemers en zakenlui moeten beseffen dat hun activiteiten in landen met zwakke staatstructuren kunnen worden gevolgd en afgemeten aan de gedragscode van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso). Niet alleen door actiegroepen, ook door hun eigen regeringen (zie blz. 54). Sceptici en cynici halen de schouders op. Maar nieuwe evoluties geven aan dat 'oorlog tegen corruptie', zij het nog in een schuchtere beginfase, meer is dan een holle kreet. Toon Van de Velde, antropoloog van de KU Leuven, heeft er een mooie uitdrukking voor: "de beschavende werking van hypocrisie". Initiatieven tegen corruptie komen immers meestal uit rijke landen met hun Enron-schandalen, verdwijntrucs met overheidsgeld in de Europese Commissie of bij aanwending van oliegelden in Irak, budgetten waar volgens KPMG de bezettingsmacht weinig transparant mee omgaat. Niettemin wordt er bijgestuurd: Enron moet verantwoording afleggen, KPMG speurt de boekhouding van Halliburton na en de kiezers stuurden op 13 juni meer eurocritici naar het Europees Parlement. Even bemoedigend zijn gelijkaardige signalen naar plaatselijke corrupte elitenetwerken bij de jongste verkiezingen in India, Indonesië en zelfs landen als Iran. Want ook in die nieuwe democratieën dwingen burgers hun machthebbers tot meer deugdelijk bestuur. Omdat ze 'de beschavende hypocrisie' uit het Westen letterlijk au sérieux nemen. En dat is nieuw. Bovendien: it takes two to tango. Westerse politici en bedrijfsleiders die medeverantwoordelijk zijn voor corruptie en malversaties in landen met zwakke staatsstructuren, hebben een voet in de legale of beschaafde wereld en kunnen daar ter verantwoording worden geroepen. Door aanmoediging of dreiging om hun gedrag te veranderen. Dat is precies wat de gedragscode van de Oeso wil bereiken. Internationale instellingen als de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds zien ook hoe desastreus corruptie ontwikkelingskansen tegenwerkt (van de 429 miljard euro die de Wereldbank sinds 1946 leende, verdween naar schatting ruim 20 % in een zwart gat). De selectie van een onafhankelijk team om de mijnproductie in Congo te saneren is daarom een toetssteen voor de Wereldbank. Er is minder behoefte aan nieuwe nationale initiatieven en wetten dan wel aan politieke wil en financiële middelen om de Oeso-regels toe te passen. Men kan daarop verder bouwen, de Oeso-gedragsregels over de grenzen heen verfijnen en efficiënt maken, de spelregels en procedures verduidelijken voor regeringen en ondernemingen. Daarvoor is politieke wil nodig. Geen schijnmanoeuvres met nieuwe Belgische (en vaak ontoepasbare) wetjes. Erik Bruyland