Aan de Antwerpse modeacademie studeerde dit jaar amper één Belgische ontwerpster af. Lenny Leleu, die haar laatste jaar tot een goed einde bracht met niets minder dan een badpakkencollectie. De start voor een grote carrière in de sector van de Belgische sportkledij? "De badpakken werden goed onthaald bij het grote publiek én bij de professionelen. Daarom wil ik er zeker aan blijven werken en met het portfolio dat daaruit komt, naar bedrijven stappen," vertelt Leleu. "En ja, ik ben al gecontacteerd, maar er zijn nog geen concrete afspraken. Zeker niet specifiek voor de badpakkenlijn. Ik geloof wel dat er daar nog een gat in de markt is, maar ik wil absoluut mijn eigen ding blijven doen. Het zou fijn zijn als dat kan onder mijn eigen naam. Daarvoor is veel kapitaal nodig en dat is er nu niet, dus alleen kan ik het niet. Een samenwerking met het Belgische lingeriemerk Marie-Jo zou ideaal zijn, zeker als hun collectie mijn naam draagt. Gesprekken met het merk waren er nog niet, er langsgaan staat wel op mijn lijst. Verder zoek ik uit welke andere spelers er zijn en waar ik terechtkan." Wordt zeker en vast vervolgd...
...

Aan de Antwerpse modeacademie studeerde dit jaar amper één Belgische ontwerpster af. Lenny Leleu, die haar laatste jaar tot een goed einde bracht met niets minder dan een badpakkencollectie. De start voor een grote carrière in de sector van de Belgische sportkledij? "De badpakken werden goed onthaald bij het grote publiek én bij de professionelen. Daarom wil ik er zeker aan blijven werken en met het portfolio dat daaruit komt, naar bedrijven stappen," vertelt Leleu. "En ja, ik ben al gecontacteerd, maar er zijn nog geen concrete afspraken. Zeker niet specifiek voor de badpakkenlijn. Ik geloof wel dat er daar nog een gat in de markt is, maar ik wil absoluut mijn eigen ding blijven doen. Het zou fijn zijn als dat kan onder mijn eigen naam. Daarvoor is veel kapitaal nodig en dat is er nu niet, dus alleen kan ik het niet. Een samenwerking met het Belgische lingeriemerk Marie-Jo zou ideaal zijn, zeker als hun collectie mijn naam draagt. Gesprekken met het merk waren er nog niet, er langsgaan staat wel op mijn lijst. Verder zoek ik uit welke andere spelers er zijn en waar ik terechtkan." Wordt zeker en vast vervolgd...Hij heeft sinds juli 2005 zijn eigen voetbalploeg, FC Bikkembergs Fossombrone, uit het kleine stadje in Italië waar de kledijproductie is ondergebracht. De ploeg fungeert als een levend laboratorium waaruit hij zijn inspiratie kan opdoen en waarop hij zijn ideeën kan testen. Dirk Bikkembergs is als Belgische modeontwerper duidelijk ook actief in de sector van de sportkleding. Met de lijn Bikkembergs Sport wilde Bikkembergs, die bekend werd als één van de Zes van Antwerpen, vanaf 2003 vooral sportievelingen kleden wanneer ze niet op het veld staan. Ondertussen ontwikkelde hij wel een professionele voetbalschoen, the Bix, en een technischere voetbaloutfit voor zijn team en het grotere publiek. Bikkembergs Sport, de lijnen Dirk Bikkembergs en Bikkembergs, en de licenties voor schoenen en brillen brengen samen zo'n 100 miljoen euro op. Jaarresultaten zijn niet voorhanden. Waterpret in hippe, frisse kleuren, dat etiket kleeft op Archimede als een lekkend ijsje op een kinderhand. Archimede werd opgericht in 1989 en kende een eerste succes met een bijzonder origineel product: het 'boeibadpak', een badpakje met ingebouwde drijvertjes zodat de kleuter niet kopje-onder gaat. Maar Archimede breidde het assortiment intussen verder uit met een collectie outdoorkledij in Ibizakleuren, weidse bloemenvelden en frisse strepen. Maar ook met tasjes, schoenen en zonnebrillen zodat de jongsten als heuse diva's en macho's het strand onveilig kunnen maken. Ondertussen telt Archimede acht eigen winkels en een webwinkel. Frankrijk en België hebben elk drie winkelpunten. Italië en Turkije hebben er elk eentje. Maar het zwaartepunt van de verkoop wordt gevormd door de zowat duizend multimerkenwinkels die Archimede heeft opgenomen in zijn portfolio. Onder meer Harrod's in Londen hoort tot die afnemers. "75 % van de omzet wordt in Europa gehaald. De Verenigde Staten, Japan en het Midden-Oosten verdelen de rest", zegt de CEO van Archimede, Olivier Bottequin. Archimede trok eind 2006 naar de Vrije Markt op Euronext. "We hadden nood aan extra kapitaal om onze groei te financieren", legt Bottequin uit. De achilleshiel van het bedrijf is de forse schuldenlast dat het torst. De balans vermeldt ruim 3 miljoen euro schulden, tegenover een (stijgend) eigen vermogen van 365.000 euro. De omzet klom in het verlengde boekjaar tot 4,7 miljoen euro (+51 %). "We hebben geen nieuwe schulden gemaakt sinds onze beursgang", reageert Bottequin. "En ook de afspraak met onze beleggers, om tegen eind 2007 vijf nieuwe winkels te openen, zijn we nagekomen." De koers van het aandeel blijft wel lauwtjes: het bedrijf trok aan 4,20 euro per aandeel naar de beurs en flirt al wekenlang met de ondergrens van 4 euro. Ex-wielrennertrainer Raymond Vanstrae- len begon in 1994 in zijn garage wielerkledij te maken. Vandaag telt Bio-Racer, dat internationaal aanzien geniet in zijn sector, 58 werknemers. Innovatieve producten voor de wielersport zijn het recept die de groei van het bedrijf uit Tessenderlo moet verklaren. De focus van Bio-Racer ligt - na enkele bredere en mislukte uitstapjes - op de kleding. Bio-Racer levert al enkele jaren de nationale teamkledij van de Belgische en van de Nederlandse wielrennersploeg. "Een belangrijk contract voor ons", zegt Vanstraelen, die de komende jaren wil focussen op Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. "De markt groeit sterk en wij groeien sterker dan de markt," glimlacht hij, gevraagd naar zijn verwachtingen. In 2006 kocht Vanstraelen de Limburgse Reconversiemaatschappij (LRM) uit, dat zowat 44 % van het kapitaal had. Intussen profileert Bio-Racer zich ook als wetenschappelijke vernieuwer. Zijn naadloze zoom is flink ingeburgerd bij het wielerpeloton en met ReSkin - een pleister op basis van siliconen tegen schuurwonden - boort Bio-Racer een potentiële markt aan die ruimer gaat dan louter het wielergebeuren. Campitello wordt vandaag bestuurd door de vierde generatie. Het zijn de broers Jacques en Daniel Van Vlierberge die aan het hoofd staan van het bedrijfje dat wielerkledij en triatlon- en atletiek-outfits ontwerpt, produceert en bedrukt in twee herenhuizen in Sint-Niklaas. De verkoop en productie van gebreide kousen, waarmee Campitello eind 1800 begon, werd in de jaren zeventig onmogelijk. "Wij konden onze grondstoffen niet kopen voor de prijs waaraan de kousen uit Turkije werden verkocht", herinnert Jacques Van Vlierberge zich. De overstap naar de wielerkledij was logisch. De breimachines konden worden ingezet voor de productie van de toen nog gebreide wielertruitjes en door de prestaties van Eddy Merckx was de wielersport ín. Wielertoeristenclubs schoten als paddenstoelen uit de grond. Nog altijd werkt Campitello voor die clubs en sportwinkels (60 %) en dat in de noordelijke helft van Europa. Zo'n zeventig procent van de sportkledij wordt uitgevoerd naar verdelers in het buitenland. "In België heerst er toch wat concurrentie en de koek moet worden verdeeld", legt Van Vlierberge uit. "Ook van harddiscounters als Aldi en Lidl komt er steeds meer concurrentie. Zij bieden de shirts aan tegen nog geen derde van de prijs die wij moeten vragen." Van Vlierberge beseft dat produceren in het buitenland goedkoper is, maar voorspelt dan gedonder. Bovendien kan Campitello dan niet zo snel leveren. Hij werkt liever met de dertien personeelsleden die op weekdagen plaatsnemen achter de naaimachines. De jongste naaister werkt al 28 jaar voor Campitello. Toch is verjonging of extra personeel volgens Van Vlierberge niet nodig. Dat het bedrijf uitbolt, ontkent hij. "Het is inderdaad een probleem dat er geen vijfde generatie klaarstaat, maar we kijken nu hoe de markt evolueert voor we een beslissing nemen. Het productievolume krimpt voortdurend en winkels kopen niet langer extra stock in. Daardoor nam onze omzet de laatste jaren al af." Het bedrijfsresultaat steeg de voorbije jaren wel. Van basketbal tot hockey of volleybal, Cezann uit Oosterzele ontwerpt en maakt kledij voor zowat elke sporttak. Onder het eigen merk Xerex, dat wordt verkocht via gespecialiseerde winkels, of als private label voor wat gedelegeerd bestuurder Paul de Pessemier 's Gravendries omschrijft als wereldmerken. "Daarvoor verzorgen we niet de bulkorders, maar kleding voor de sportploegen die door die merken worden gesponsord." Bovendien verkoopt het familiebedrijf, dat oorspronkelijk begon als textielzeefdrukkerij, sublimatiepapier dat ze ook zelf gebruiken om op stoffen te drukken. Het sublimatiepapier en de kleine of dringende orders produceert Cezann met tien personeelsleden in België. De rest van de stuks gaan door zestig Tunesische handen in Khniss, waar De Pessemier 's Gravendries drie jaar geleden een productielijn opzette. "Noodgedwongen, omdat de Belgische loonlasten maar niet worden verlaagd", verzekert hij. Een andere moeilijkheid die de gedelegeerd bestuurder aanhaalt, behalve het opengaan van de Chinese grenzen, zijn de aankopers in de branche, die meer geïnteresseerd zijn in winstcijfers dan in de sportartikels. "Door gigantische aantallen te kopen in China en met veel winst door te verkopen, doen de winkels het nu goed op papier, maar vroeg of laat moeten ze de onverkochte stuks met verlies afstoten," voorspelt De Pessemier 's Gravendries. Op vraag van een Nederlandse klant produceerde Javanne eind jaren zestig een reeks gymnastiekpakjes. Op slag maakte het bedrijf, dat voorheen ribtricot breidde, en daarmee truien produceerde voor groothandels en warenhuizen, een aanbodomwenteling. Javanne verkoopt vandaag turn-, dans- en badpakken onder hun eigen merk Agiva, een samenvoegsel dat Alain en Gilles Van Oost, de tweede generatie, bedachten. Thomas en Christophe Van Oost, de derde generatie, staan vandaag aan het hoofd van het bedrijf. Het tweetal levert de 150.000 pakken die 35 vrouwen jaarlijks in Moeskroen vervaardigen, aan sportdetaillisten, warenhuizen en gespecialiseerde boetieks. Vijftig procent van de productie wordt geëxporteerd en die exportactiviteiten willen de Van Oosts nog uitbreiden naar landen met een hoge koopkracht als Scandinavië, en naar Japan en de Verenigde Staten. Javanne heeft volgens Christophe Van Oost weinig concurrenten in België, terwijl de concurrentie in het buitenland net erg groot is. Temeer omdat buitenlandse spelers volgens Van Oost veel in lagelonenlanden produceren. Meteen een reden die hij, naast de prijsdaling in de sector, aanhaalt voor de dalende brutomarge en bedrijfsresultaat (respectievelijk nog 1.035.990 euro en 118.050 euro in 2005). Van Laere International produceert een uitgebreid assortiment van outdoor- vrijetijds- én werkkleding. Denk daarbij vooral aan veelzijdige, ademende en waterdichte recreatieve kleding met extra aandacht voor sneldrogende en winddichte stoffen. De geschiedenis gaat terug naar 1976, toen Philippe Van Laere kleding opkocht en doorverkocht. De eenmanszaak groeide en geleidelijk vond Van Laere International zijn roeping. De oprichting van het eigen outdoormerk, Parks, in 1995, bleek een gouden zet. In 2000 deed Philippe Van Laere dat nog eens over met free2be: een lijn voor de hobbyist en werkkledij. Behalve die twee sterkhouders steunt Van Laere International op een derde pijler: private productions. Op vraag van onder meer drukkers produceert Van Lae- re International promotionele accessoires en kleding om campagnes te ondersteunen. In 2006 tekende Parks voor 67 % van de omzet. De divisie free2be voor 27 %, en private productions 6 %. De markt groeit, zegt Philippe Van Laere: "Outdoorkleding werd vroeger geïnterpreteerd als actieve kleding. Nu zien consumenten dat veel ruimer, ze zien het meer als vrijetijdskleding." Daardoor wordt de afzetmarkt ruimer, maar stijgt de concurrentie. Gevolg: zware druk op de prijzen. De productie gebeurt in Azië, Afrika en een deel in Europa. "De tijd dat Azië spotgoedkoop was en dat alles kon, is voorbij," zegt Van Laere. "Door de grote afstand zijn ze trager, hun aanvoertermijnen zijn veel langer, wat hen minder flexibel maakt." De klanten - voornamelijk de retail, die voor 80 % tekent - zijn sterk vertegenwoordigd in de Benelux. Hoewel Patrick Stallaert begon als hobbyist, is hij vandaag met Jartazi alomtegenwoordig op de sportscène. FC Brussels, Sporting Lokeren, Cofidis, het eigen Jartazi Promo Fashion-wielerteam - met de legendarische Jef Braeckevelt als sportdirecteur - het zijn maar enkele van de bekendste visitekaartjes voor Stallaert. Het bedrijf uit Hamme heeft in het Chinese Xiamen een joint venture waar een kleine vijfhonderd man werken. "Voorts huren we lijnen in andere bedrijven op jaarbasis, goed voor nog eens een duizendtal mensen," zegt Patrick Stal- laert. "Al die productie is natuurlijk niet uitsluitend voor ons eigen merk, wij werken ook veel voor private labels van merken in Europa."Azië verliest almaar meer van zijn competitief vermogen om als productieatelier voor de wereld te gelden, stellen verscheidene producenten vast. Ook Stallaert merkt een enorme ontwikkeling in China. "De prijzen stijgen bijna elke dag, al geldt dat voor iedere onderneming die te maken heeft met import uit Azië. De marktprijzen in Europa moeten bijgevolg mee de stijgende trend volgen en voorlopig kunnen wij dat nog een beetje compenseren door de sterke positie van de euro tegenover de dollar."Toch is het een sector die steeds moeilijker wordt door het feit dat de weg naar Azië veel opener is geworden. Stallaert: "Ook de communicatie wordt door het gebruik van internet makkelijker, terwijl het Engels steeds vlotter ingeburgerd raakt. Voeg daarbij de versoepeling van de invoerregels en dat maakt het plaatje compleet, waardoor steeds meer bedrijven trachten rechtstreeks in te kopen."Toch maakt Stallaert zich sterk dat er voor Jartazi nog een enorme groeimarkt is weggelegd. "Wij kozen ervoor om geen verdeling te doen via winkels, met uitzondering van de Promo Fashionketen, maar om via de sportclubs te gaan." En de grote retailketens zijn gretige afnemers onder de private labelvlag. "We hebben dit systeem nu ook in werking gezet in andere landen binnen Europa en zien dat het ook daar succes heeft."Gedelegeerd bestuurder Michael Redding heeft het druk bij Scapa Sports in Wilrijk. De zomercollectie van 2008 wordt voorgesteld en de zoon van de stichters van Scapa treft de laatste voorbereidingen voor de voorstelling van de nieuwste stuks van zijn eigen merk. Dat werd, na de oprichting onder de vleugels van Scapa in 1999, in een zelfstandig bedrijf ondergebracht in 2001. Na voor zijn ouders gewerkt te hebben, wilde Redding namelijk op eigen benen staan. Het resultaat werd een casual sportlijn waarmee je wel kan sporten als je houdt van katoen - behalve voor de watersportkledij dan - in plaats van de technische stoffen die volgens Redding tegenwoordig een hype zijn in sportkledij. Ook Scapa Sports kon de voorbije jaren groot worden dankzij de hype rond hun polo's. Het bracht de omzet in 2005 naar het recordbedrag van ruim 30 miljoen euro. Dat bedrag stabiliseerde in 2006 tot een 26,7 miljoen euro. "Dankzij de hype konden we investeren en ons team uitbreiden tot 22 mensen," vertelt Redding, "maar we beseffen dat de hype hier voorbij is en dus richten we ons vooral op de export."Scapa Sports haalt al bijna 35 % van de omzet in Nederland. Behalve Duitsland ziet Redding vooral een markt in Spanje. Daar brengt hij zijn merk wel aan de man in eigen merkwinkels, iets wat in België vermeden werd om geen concurrent te worden voor Scapa. Nog steeds wordt 75% van de collectie verkocht in multimerkenwinkels. Rechtstreeks aan sportclubs verkopen, is geen ambitie van Redding. "Dan zouden we écht een sportmerk worden en dat willen we niet. Of toch nu nog niet." Toch linkt Scapa Sports zich maar al te graag aan sportevenementen. Zo kleedt het merk bijvoorbeeld de kustredders jaarlijks voor ongeveer 100.000 euro. De kledij van de redders wordt net als de rest van de collectie in België ontworpen. De productie wordt uitbesteed. Weliswaar voor 80 % aan Belgische fabrikanten, maar die hebben volgens Redding vaak zelf fabrieken in Oost-Europa. Enkele T-shirts en sjaals zijn daarom de enige producten die echt in België worden gefabriceerd. "Het is toch makkelijk om met Belgische bedrijven te werken omdat je alles makkelijk kan opvolgen en je meer zekerheid hebt. Ook kleine leveringen vormen geen probleem, want uiteindelijk is Scapa Sports nog altijd een familiebedrijf dat geen massa's kan bestellen," vertelt Redding. Truien en schoenen laat hij wel rechtstreeks in Azië maken. Redding: "In Europa vind je daar bijna geen productiesites meer voor. In Azië doen ze dat trouwens goed en daarvoor is het wel de moeite om in grote aantallen aan te kopen.""Wij maken geen sportkledij mevrouw," begint Marc Van Hecke, die samen met zijn vrouw Linda Swynen zaakvoerder is van L. Swynen. "Ja, we maken naast schooluniformen en theaterkledij ook balletkledij, maar noem ballet eens een sport wanneer een danser het hoort. Ballet is een kunst."Noem de balletpakjes van Arabesque kunst- of sportkledij, dat het merk volledig in eigen beheer is van L. Swynen in Antwerpen staat vast. De bvba verdeelt de maillots niet via winkels, maar levert uitsluitend aan Belgische scholen, en ontwerpt daarom ook vaak in samenspraak met hen. Ook de productie achteraf gebeurt in België, door twintig personeelsleden, waardoor Arabesque zich in een hoger marktsegment moet profileren. De lonen zijn hier nu eenmaal hoger dan pakweg in China. "De productie naar daar verplaatsen willen we niet. Waarom niet? De grote baas, mijn vrouw, ziet dat niet zitten. Het is gewoon een noodzaak om hier te produceren, want we leven toch nog enkele maanden na de drukte in augustus van bijbestellingen. Die kunnen ze uit China en zelfs uit Polen niet op tijd leveren."De brutomarge van L. Swynen steeg in 2005 naar 597.002 euro, waarvan de verkoop van Arabasque vijf procent vertegenwoordigt. Het bedrijfsresultaat steeg van 18.095 euro in 2004 gevoelig naar 95.141 euro in 2005. "Onze grootste klant, waarvoor we vijftig procent van onze productie maakten, was een slechte betaler. We zijn daar opgestapt als leverancier en hebben die vijftig procent snel kunnen opvullen met andere, beter betalende klanten," verklaart Van Hecke. Recht tegenover het ouderlijke huis, waar het ontwerpbureau en de stofdrukkerij zijn ondergebracht, bouwt Vermarc bij. De komende drie jaar creëert het bedrijf twintig banen. Het gaat goed met de producent van vooral wieler-, maar ook atletiek- en voetbaluitrustingen. Of is dat maar schijn? Het was ex-wielrenner Frans Verbeeck, die na zijn carrière in 1977 de winkel Vermarc en later het gelijknamige merk uit de grond stampte. Hij loopt nog steeds rond tussen de 25 personeelsleden in het productieatelier in Heldergem en in de propvolle opslagruimte in Rotselaar, waar via de telefoon druk in het Italiaans wordt gepraat. Ondertussen zijn het wel zoon Marc en zijn vrouw die de bestuursfuncties op zich nemen. "We hebben ook een atelier in Italië waar we met twee andere merken produceren," legt Marc Verbeeck uit. "Italië is nog steeds het mekka van de wielersport, maar in tegenstelling tot tien jaar geleden is de concurrentie met Italiaanse producenten niet langer onmogelijk."Dat dankt Vermarc onder meer aan de Belgische wielerploegen Quickstep-Innergetic en Predictor-Lotto, die ze kleden. Die ploegen zorgen voor een groot deel van de omzet én, niet onbelangrijk, hun renners geven aan wat anders moet. Zo ontwikkelde Vermarc een gepatenteerd schokdempend zeemvel dat ze nu ook zelf produceren. Andere klanten zijn fietshandelaars en grote firma's als financiële instellingen en kranten. In België, maar ook in vijftien andere landen. Vooral in Japan en Duitsland lopen volgens Verbeeck de zaken goed. "Houdt de interesse in de wielersport in dat laatste land wel stand na het schandaal met Ullrich?" vraagt hij zich af. "Wielertoeristen blijven er in België sowieso, semiprofessionele renners krijgen het hier wel steeds moeilijker om te overleven omdat sponsors dreigen af te haken." De budgetten worden dus kleiner, ook voor de truitjes. Verbeeck heeft nog andere kopzorgen. Zijn stiksters zijn allemaal boven de veertig en het wordt moeilijk om nog geïnteresseerden te vinden. "Door alle heisa rond de kledingproductie in China wil niemand nog snit en naad studeren. Binnenkort kan ik waarschijnlijk alleen nog buitenlanders aannemen," zegt Verbeeck. Zelf dan ook maar naar China of Oost-Europa trekken, vindt hij geen optie. "De kwaliteit is daar niet dezelfde. Aan wielerkledij willen mensen trouwens nog wel geld spenderen als ze van goede kwaliteit is. Zolang de Belgische loonkosten ongeveer gelijk blijven aan die van Italië en Duitsland, hoeven we ons dus geen zorgen te maken. Voor voetbalkledij geldt dat veel minder, daarom specialiseren we ons daar niet in."