Laat mij beginnen met drie vaststellingen. Eén. Ik ben het - net als u wellicht - spuugzat om van de ene file naar de andere opstopping te schuiven. Om elke ochtend en avond met een bang hart in de wagen te stappen in afwachting van de ellenlange opsomming van vertraagd en stilstaand verkeer.
...

Laat mij beginnen met drie vaststellingen. Eén. Ik ben het - net als u wellicht - spuugzat om van de ene file naar de andere opstopping te schuiven. Om elke ochtend en avond met een bang hart in de wagen te stappen in afwachting van de ellenlange opsomming van vertraagd en stilstaand verkeer. Twee. Ondanks al het gezwoeg leveren de Ardense hellingen mij als verwoed fietser onuitputtelijk veel vreugde. Dat plezier krijgt steeds meer een knauw door het toenemende aantal kilometers wegdek dat in ronduit erbarmelijke staat verkeert, en de onvermijdelijke lekke banden en andere averij die daar het gevolg van zijn. Drie. De verdere ontsluiting van de Antwerpse haven is noodzakelijk om haar internationale concurrentiepositie te handhaven. Steeds meer stemmen gaan op die beweren dat de verkeersgevolgen van die verdere ontsluiting desastreus zullen zijn. Waar knelt het schoentje? Bovengaande bedenkingen hebben op het eerste gezicht niet veel met elkaar te maken, maar ze zijn toch onmiskenbaar met elkaar verbonden. Het gemeenschappelijke element is dat het met onze infrastructuur van kwaad naar erger gaat. Dat komt omdat onze overheden, de federale op kop, hoe langer hoe minder hun verantwoordelijkheid nemen om te investeren in de infrastructuur die noodzakelijk is om ons sociaaleconomische basisweefsel intact te houden. Een eenvoudige blik op de cijfers geeft aan waar het schoentje knelt. De voorbije tien jaar spendeerden de Belgische overheden gemiddeld 1,8 % van het bruto binnenlands product (bbp) aan investeringen. Zowel voor alle eurolidstaten samen als voor de groep van Vijftien ligt dat gemiddelde op 2,5 %. In euro's van 2005 komt het verschil van 0,7 % neer op ruim 2 miljard. De onontkoombare conclusie luidt dat ons land, vergeleken met de Europese gemiddelden, de voorbije tien jaar een slordige 20 miljard euro te weinig investeerde in de Belgische economie en haar infrastructuur. Volgens het jaarverslag van de Nationale Bank stegen de voorbije tien jaar (1996-2005) de overheidsuitgaven (exclusief rentelasten) van 40,3 % van het bbp naar 45,7 %. De rentelasten liepen in dezelfde periode terug van 7,8 % van het bbp naar 4,5 %. Nog volkomen los van de opeenstapeling van eenmalige maatregelen en van de roofovervallen uitgevoerd op de activa van pensioenfondsen, zoals dat van Belgacom, geven deze cijfers perfect aan waar het helemaal fout loopt met ons begrotingsbeleid. Het onvermogen van paars. Regeringen in dit land kunnen de lopende uitgaven niet in de hand houden. De voornaamste componenten van dat onvermogen bestaan uit de sociale uitgaven en de overheidslonen. Als onderdeel van het bbp liepen de sociale uitgaven de voorbije tien jaar met 2,5 procentpunt op, de overheidslonen met 1,1 procentpunt. De paarse coalitie beweert graag het tegendeel, maar de naakte cijfers geven aan dat tijdens haar bewind het onvermogen tot beheersing van de lopende uitgaven nog toenam. Wie het bovengaande beschouwt als een pleidooi voor een sociaal kerkhof en/of een drastische ontmanteling van de overheid, gaat aan de essentie van het debat voorbij. De overheid moet keuzes maken. Als ze haar investeringen terugschroeft om meer sociale uitgaven en meer overheidslonen uit te betalen, wordt daar op termijn een prijs voor betaald. Blijkbaar vindt de huidige generatie van bewindvoerders dat een normale prijs. De auteur is directeur van de denktank VKW Metena.Johan Van Overtveldt