"Een evenwichtig pensioenstelsel op lange termijn is onmogelijk als de feitelijke en de wettelijke pensioenleeftijd zich niet geleidelijk aan de levensverwachting aanpassen. Om de gemiddelde pensioenleeftijd dichter in de buurt van 65 jaar te brengen, moet een deel van de bevolking over twintig jaar iets langer dan 65 werken."
...

"Een evenwichtig pensioenstelsel op lange termijn is onmogelijk als de feitelijke en de wettelijke pensioenleeftijd zich niet geleidelijk aan de levensverwachting aanpassen. Om de gemiddelde pensioenleeftijd dichter in de buurt van 65 jaar te brengen, moet een deel van de bevolking over twintig jaar iets langer dan 65 werken." Dit standpunt publiceerde oud-senator Frank Vandenbroucke (sp. a) precies een jaar geleden in De Standaard. Het was een reactie op de aanbevelingen van de Europese Commissie aan België. Een ervan was de optrekking van de pen-sioenleeftijd. Vandenbroucke werd teruggefloten door de top van zijn partij. Ondertussen heeft hij de politiek verlaten. De aanbevelingen die de Europese Commissie anno 2012 aan de Belgische regering geeft, zijn nog altijd dezelfde: de pensioenleeftijd moet omhoog. Dat kan onder andere door de pensioenleeftijd te koppelen aan de levensverwachting. Het voorbije halfjaar heeft de regering-Di Rupo de minimumleeftijd voor vervroegd pensioen opgetrokken van 60 naar 62 jaar en werd het brugpensioen verstrengd. Dat maakte weinig indruk op de Europese Commissie. Er is meer nodig, is bij José Manuel Barrosso en co te horen. Maar opnieuw zeggen PS, sp.a en cdH neen. Open Vld en CD&V gaan wel ak-koord. MR legt eerder de nadruk op de verhoging van de effectieve pensioenleeftijd dan van de wettelijke uittredeleeftijd. Experts benadrukken al enige tijd dat een koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting noodzakelijk is om het stelsel financieel te laten overleven. Het is ook een principe van billijkheid. Door de verlenging van de levensverwachting neemt het pensioenstelsel in generositeit sterk toe. Tussen 1967 en 2007 steeg de levensverwachting van 71 tot 80 jaar in ons land. Terwijl in 1967 een gepensioneerde van 65 gemiddeld zes jaar van zijn pensioen kon genieten, kan hij vandaag rekenen op vijftien jaar. Tot 2060 neemt de levensverwachting voor mannen met iets meer dan acht jaar toe en voor vrouwen met 5,5 jaar. Een man die in 2060 geboren wordt, wordt gemiddeld 86 jaar, een vrouw 89 jaar. Iemand met een hogere levensverwachting haalt meer uit een pensioenstelsel dan vroeger als de pensioenleeftijd en loopbaanduur gelijk blijven. Dat stelsel heeft een gebrek aan billijkheid, omdat de nieuwe generatie evenveel bijdraagt als de voorgaande generatie, maar langer van haar pensioen geniet. De oplossing is de loopbaan te verlengen op basis van levensduur. Dan staat het systeem altijd in verhouding tot de kostprijs ervan. Zweden voerde dat systeem in 1999 in, met succes. De cijfers tonen aan dat de koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting de heilige graal is om het vergrijzingsvraagstuk op te lossen. Het Zweedse systeem kent geen officiële pensioenleeftijd, maar koppelt het totale uitgekeerde pensioenbedrag automatisch aan het aantal gewerkte jaren en aan de geschatte levensverwachting. Sinds de Zweedse pensioenhervormingen is de gemiddelde pensioenleeftijd gestegen van 61 tot 63 jaar. De Belgische effectieve uittredeleeftijd ligt nog altijd net onder 60 jaar. Een gelijkaardig systeem werd sindsdien ingevoerd in Polen, Litouwen en zelfs Italië. De Zweedse vergrijzingkosten bedragen 10 procent van het bbp, terwijl dat in België bijna drie keer meer is. Bovendien ligt de tewerkstellingsgraad in Zweden een stuk hoger, net als de pensioenuitkeringen. In het Scandinavische land bestaat er ook geen verschil tussen ambtenarenpensioenen en pensioenen van werknemers uit de privésector. Economen als Ivan Van de Cloot van Itinera en de UCL-hoogleraar Pierre Devolder zijn grote voorstanders van het Zweedse model in België. Devolder pleitte een paar jaar geleden nota bene op een sp. a-congres nog voor de invoering van zo'n stelsel. Het Zweedse systeem werkt met virtuele of notionele rekeningen. Er is geen afwijking van het repartitiesysteem waarbij de werkenden bijdragen betalen voor de gepensioneerden. De sociale bijdragen van de werkende Zweden worden onmiddellijk uitgekeerd aan de gepen-sioneerden. Maar tegelijk wordt de bijdrage wel behandeld alsof ze op een individuele rekening wordt gestort. Vandaar de term virtuele rekeningen. Het is geen reëel spaartegoed omdat het ingebed blijft in het bestaande repartitiesysteem. Bij de pensionering wordt dat virtuele of notionele kapitaal omgezet in een lijfrente met een rentevoet die rekening houdt met de pensioenleeftijd en de levensverwachting op dat moment. Een voorbeeld. Olaf gaat op zijn 65ste met pensioen. Hij heeft een fictief kapitaal van 4 miljoen kronen gespaard. Als zijn levensverwachting 85 jaar bedraagt dan kan hij normaal twintig jaar van zijn pensioen genieten. Jaarlijks wordt dan 200.000 kronen of een twintigste van het bedrag als geïndexeerde pensioenrente uitgekeerd. Sterft Olaf vroeger dan 85 jaar, dan blijft het notionele restbedrag in het systeem. Wordt hij ouder, dan blijft hij hetzelfde pensioen ontvangen. Als Olaf beslist om op zijn 60ste stoppen met werken dan moet het gespaarde bedrag over een periode van 25 jaar worden uitgekeerd. Dan bedraagt de jaarlijkse pensioenrente slechts 160.000 kronen. Het Zweedse systeem maakt het verband tussen bijdragen en uitkeringen transparanter en zet aan tot langer werken. Wie zijn carrière verlengt, wint op twee manieren: een hoger totaal pen-sioenbedrag door meer stortingen en een hogere uitkering omdat het over een kortere periode gaat. De sterkte van het stelsel is dat het op repartitie blijft steunen en ook een deel kapitalisering in-voert. In België bestaat nog altijd een groot wantrouwen tegenover dat Zweedse voorbeeld. Ook bij de vakbonden. In een reactie op de Europese aanbevelingen wijst het ACV erop dat er grote verschillen zijn in levensverwachting volgens so-ciaaleconomisch status en opleiding. De levensverwachting van vrouwen zonder diploma ligt 11,5 jaar lager dan die van een hooggeschoolde. "Het is overduidelijk wie het eerst en het meest het slachtoffer wordt van dat werken tot zijn 70ste. Voor mannen zijn de cijfers vergelijkbaar", klinkt het bij de christelijke vakbond. Voor ACV-voorzitter Marc Leemans moeten we niet naar leeftijd kijken, maar naar de loopbaan. "Wanneer is iemand beginnen te werken? Welk parcours heeft hij afgelegd? Welke inspanningen leveren werkgevers voor werkbaar werk? Dat zijn de cru-ciale vragen. Of wil Europa de vergrijzingskosten opvangen door de pensioenen te laten dalen terwijl de levensverwachting stijgt? Dan vergeet de Commissie dat België vandaag al relatief lage pensioenen heeft. Moeten die nog lager?" Voorstanders van de koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting benadrukken dat zo'n stelsel net wel in het voordeel is van lager geschoolden omdat het ook lange loopbanen erkent, een typisch fenomeen bij de lage inkomens en laaggeschoolden die vaak jong beginnen te werken. De pensioenuitkeringen zijn gebaseerd zijn op de effectieve duur van de loopbaan. Groen is de enige partij ter linkerzijde die wel gewonnen is voor een koppeling pensioenleeftijd-levensverwachting. Het is voor Groen ook de ideale manier om op basis van objectieve criteria uitzonderingen toe te laten voor de pensioenleeftijd van zware beroepen. Het systeem kan in twee richtingen werken: hogere levensverwachting betekent langer werken. Maar hoe lager de levensverwachting voor bepaalde doelgroepen (bouwvakkers, staalarbeiders,...) hoe minder jaren ze moeten werken. Gegevens over de levensverwachting voor bepaalde beroepscategorieën zijn beschikbaar bij verzekeringsmaatschappijen, die ze gebruiken voor de opstelling van risicoprofielen, stelt Groen. ALAIN MOUTON"De Europese Commissie vergeet dat België al relatief lage pensioenen heeft. Moeten die nog lager?" Marc Leemans, ACV