Beeld je in: je bent een Indiase ingenieur die voor een niet onaardig loon door de O&O-afdeling van een Belgisch technologiebedrijf wordt aangetrokken voor een driejarig project. Na die periode krijg je meteen de vraag of je niet nog eens drie jaar aan een andere opdracht wil werken. Hoe graag je het ook zou willen, je kan niet anders dan weigeren. De huidige Belgische immigratiewetgeving beperkt het verblijf van hooggeschoolden voor het opvullen van openstaande vacatures immers tot vier jaar. Buitenlandse ingenieurs verkiezen dan ook om hun kennis en ervaring die ze hier hebben...

Beeld je in: je bent een Indiase ingenieur die voor een niet onaardig loon door de O&O-afdeling van een Belgisch technologiebedrijf wordt aangetrokken voor een driejarig project. Na die periode krijg je meteen de vraag of je niet nog eens drie jaar aan een andere opdracht wil werken. Hoe graag je het ook zou willen, je kan niet anders dan weigeren. De huidige Belgische immigratiewetgeving beperkt het verblijf van hooggeschoolden voor het opvullen van openstaande vacatures immers tot vier jaar. Buitenlandse ingenieurs verkiezen dan ook om hun kennis en ervaring die ze hier hebben opgedaan, ter beschikking te stellen van bedrijven in andere Europese lidstaten of de Verenigde Staten.Organisaties als het Vlaams Economisch Verbond ( VEV) en Agoria luiden al langer de noodklok, maar Vlaams minister van Tewerkstelling Renaat Landuyt ( SP.A) heeft daar geen oren naar. "De bedrijven moeten maar hier meer geschoolde werklozen gaan zoeken," is zijn antwoord. Een vreemde redenering. De minister zou moeten weten dat die arbeidskrachten niet voorhanden zijn. Ook wanneer de economische motor wat sputtert, is er bijvoorbeeld meer nood aan informatici dan er hier werkelijk de schoolbanken verlaten. Volgens Agoria is trouwens ook Landuyts administratie zich bewust van het probleem, maar de minister wil van geen wijken weten. Zelfs voorbeelden als Duitsland, waar de regering poogt 20.000 ICT'ers aan te trekken, konden hem niet bekoren: "Wij zouden ook mensen aantrekken als we een charmeoffensief lanceren zoals in Duitsland. Ik heb ze niet nodig." Die houding van Landuyt is symptomatisch voor de manier waarop de beleidsvoerders het immigratieprobleem bekijken: struisvogelpolitiek op zijn best. Over de mogelijke afzwakking van de effecten van de vergrijzing door het aantrekken van buitenlanders wordt er bijvoorbeeld niet gediscussieerd in politieke kringen. Terwijl het toch om een probleem gaat waarvan men verwacht dat op zijn minst de voor- en nadelen even op een rijtje worden gezet. Maar er wordt zedig gezwegen. Zelfs het argument dat het probleem zich pas over twintig of dertig jaar echt zal manifesteren, wordt niet langer bovengehaald.En als de problemen zich zeer concreet aandienen zoals nu met het prangende gebrek aan hooggeschoolden, is een oekaze van een minister voldoende om het debat niet eens te doen plaatsvinden. De minister laat het probleem broeien. Maar als die vacatures niet op een vlotte manier worden ingevuld, dreigt dat het economische weefsel van Vlaanderen fundamenteel aan te tasten. Iedereen weet toch dat onderzoek en ontwikkeling een van de troeven van onze bedrijven is. Landuyts houding doet de wenkbrauwen fronsen, want hij behoort tot een regering die overal luid en fier verkondigt dat Vlaanderen zijn imago van sterke economische regio moet bewaren. Een holle retoriek die niet opweegt tegen het gebrek aan moed om noodzakelijke maatregelen te nemen.Alain Mouton [{ssquf}]