Joeg het "joenk" Verhofstadt in de jaren 80 als begrotingsminister nog half België op de kast met een strak en orthodox begrotingsbeleid, dan liet hij het als premier van twee regeringen paars relatief breed hangen. Onder de auspiciën van Verhofstadt is het de voorbije 8 jaar gevoerde federale begrotingsbeleid zonder meer laks te noemen. Zelfs de Nationale Bank kan het niet meer aanzien en trok bij de jongste voorstelling van het jaarverslag behoorlijk scherp van leer tegen het paarse beheer van de overheidsfinanciën.
...

Joeg het "joenk" Verhofstadt in de jaren 80 als begrotingsminister nog half België op de kast met een strak en orthodox begrotingsbeleid, dan liet hij het als premier van twee regeringen paars relatief breed hangen. Onder de auspiciën van Verhofstadt is het de voorbije 8 jaar gevoerde federale begrotingsbeleid zonder meer laks te noemen. Zelfs de Nationale Bank kan het niet meer aanzien en trok bij de jongste voorstelling van het jaarverslag behoorlijk scherp van leer tegen het paarse beheer van de overheidsfinanciën. De regering pronkt nochtans graag met een begroting in evenwicht. Sinds 2000 sloot paars de boeken af zonder noemenswaardig tekort. Maar dat evenwicht zegt weinig over het eigenlijke gevoerde begrotingsbeleid, want een forse daling van de interestlasten en een uitgebreid pakket eenmalige ingrepen camoufleren al jaren de marsrichting van het beleid. De Nationale Bank heeft in haar jongste jaarverslag kurkdroog maar haarfijn de onderliggende tendens van de structurele gezondheid van de overheidsfinanciën uitgerekend. Ze deed dat aan de hand van het structureel primair saldo. Dat is het begrotingssaldo vóór interestlasten en gecorrigeerd vóór eenmalige maatregelen en conjunctuurinvloeden. Het is dus het begrotingsresultaat waar de regering met eigen beleid vat op heeft en de beste graadmeter om de begroting te evalueren. De methodologie is ontworpen door de Europese Centrale Bank. De oefening is ontnuchterend. Het begrotingsresultaat dat er toe doet, is er sinds 1999 fel op achteruitgegaan: het structurele primaire overschot daalde van 7,1 % in 1998 naar 3,7 % in 2006. Zodra België dus zijn toegangsticket tot de euroclub beet had, werden de begrotingsteugels gevierd (zie grafiek). De politiek om via een aanhoudend hoog primaire saldo de staatsschuld snel af te betalen, verdween in de ijskast. De focus werd verschoven naar het finale begrotingssaldo, wat de regering toeliet om de hand te leggen op de miljarden die vrij kwamen dankzij de daling van de interestlasten. Door de lat te verlagen naar een begroting in evenwicht heeft Verhofstadt dus continu beleidsruimte voor de regeringen paars gecreëerd: in 2006 was die extra beleidsruimte opgelopen tot 7 miljard euro in vergelijking met 1999. Toegegeven, het strakke keurslijf van 1999 was nauwelijks vol te houden. Minister van Begroting Freya Van den Bossche (SP.A): "Te vaak wordt het primaire overschot als een doel op zich beschouwd. Een primair overschot is nodig om de schuldgraad aan een voldoende snel ritme af te bouwen. Het huidige beleid zorgt voor een jaarlijkse daling van de schuldgraad met 3,8 procentpunt. De regering zoekt een evenwicht tussen schuldafbouw voor de toekomst, investeringen in tewerkstelling en aanmoediging economische activiteit en een goede en faire return aan de huidige generatie voor de belastingen die ze betalen."En het vieren van de teugels in 1999 (-1 %-punt) mag niet op het conto van paars I geschreven worden, want die begroting was nog opgemaakt door de laatste regering Dehaene. Maar als Verhofstadt de strakke begrotingslijn die hij van Dehaene erfde, zou hebben doorgetrokken, dan hij kon de premier nu uitpakken met een begrotingsoverschot van 2,4 %, zónder kunst- en vliegwerk. Dergelijk overschot zou politiek moeilijk verdedigbaar zijn, maar gegeven de nog altijd hoge staatsschuld en de oplopende kostprijs van de vergrijzing, had Verhofstadt best iets orthodoxer mogen zijn. Nu bleef de Belgische structurele begrotingsprestatie steken op een Europees gemiddeld. De waakhonden die het beleid in de gaten houden werden gemuilkorfd (zie Focus blz. 55). Paars heeft die beleidsruimte ook weinig evenwichtig gespendeerd. Sinds 2000 werd slechts 25 % van deze ruimte geïnvesteerd in de verlaging van lasten en belastingen. Drie vierde van de budgettaire versoepeling onder paars ging op aan een felle structurele stijging van de uitgaven. Als blauw staat voor lagere belastingen, en rood voor een sterkere overheid, dat is het duidelijk wie de broek droeg in de paarse regeringen. De volgende regering zal in elk geval het begrotingsroer moeten omgooien: de structurele versoepeling van het primaire saldo zal gestopt moeten worden. Alleen zo wordt de komende jaren een duurzaam en geloofwaardig klein begrotingsoverschot mogelijk, zoals voorgeschreven door het stabiliteitprogramma. Een eventuele regering-Verhofstadt III zal moeten afkicken van eenmalige maatregelen en snel dalende interestlasten. Daan Killemaes