De samenstelling van de werkgelegenheid verschilt kwalitatief grondig van deze van de werkloosheid. Zo heeft ongeveer 40 % van de werklozen hoogstens een diploma van lager onderwijs, terwijl het overeenstemmende percentage in de werkende bevolking slechts 15 % bedraagt. Omgekeerd heeft 30 % van de werkende bevolking minstens een diploma van het hoger onderwijs, tegen slechts 9 % van de werklozen. In tegenstelling tot wat het geval is voor de lager geschoolden, is de werkloosheidsgraad voor de hoger geschoolden de voorbije jaren in België trouwens niet stelselmatig gestegen (zie ...

De samenstelling van de werkgelegenheid verschilt kwalitatief grondig van deze van de werkloosheid. Zo heeft ongeveer 40 % van de werklozen hoogstens een diploma van lager onderwijs, terwijl het overeenstemmende percentage in de werkende bevolking slechts 15 % bedraagt. Omgekeerd heeft 30 % van de werkende bevolking minstens een diploma van het hoger onderwijs, tegen slechts 9 % van de werklozen. In tegenstelling tot wat het geval is voor de lager geschoolden, is de werkloosheidsgraad voor de hoger geschoolden de voorbije jaren in België trouwens niet stelselmatig gestegen (zie grafieken).Het overwicht van laag geschoolden in de werkloosheid blijkt in België zeer uitgesproken. In de meeste Oeso-landen is de werkloosheidsgraad voor deze groep 1,5 à 2 keer zo groot als bij de hoog geschoolden, in België echter is dat bijna 4 keer. Dit wordt minstens voor een deel verklaard door de hoge minimumbarema's voor laag geschoolde werknemers en de relatief geringe diffentiatie van de loonwaaier over de verschillende opleidingsniveaus. De loonkost voor weinig geschoolden ligt vaak hoger dan hun produktiviteit, zodat het voor bedrijven soms interessanter wordt om hoger opgeleiden in te zetten in funkties waarvoor eigenlijk al een lagere kwalifikatie kan volstaan. Daardoor ontstaat enerzijds een overaanbod van laag geschoolden op de arbeidsmarkt en anderzijds een relatief krappe arbeidsmarkt voor de hoger geschoolden. Laag geschoolden blijven doorgaans ook langdurig werkloos, waardoor zich bij hun opleidingshandicap ook een steeds grotere achterstand inzake beroepservaring voegt. Dat verkleint de kansen op het vinden van werk nog meer, met als gevolg dat de langdurige werkloosheid op de duur zichzelf begint te voeden. Zo bedroeg volgens Oeso-cijfers in 1992 de gemiddelde werkloosheidsduur in België meer dan 23 maanden, tegen 14 in Duitsland, 5 in Japan en slechts 2,5 in de Verenigde Staten.De kwalitatieve discrepantie tussen werkgelegenheid en werkloosheid betekent ook dat in de praktijk weinig heil te verwachten valt van een algemene arbeidsduurverkorting om de werkloosheid te bestrijden. Als alle werknemers hun werktijd met evenveel uren zouden beperken, dan zou dit vooral jobs beschikbaar maken voor hoger geschoolden, die evenwel slechts een minderheid van de werklozen uitmaken. Arbeidsduurverkorting zou zodoende een artificiële schaarste van hoog geschoolde arbeid in de hand werken. Zelfs als samen met de arbeidsduurverkorting een evenredige looninlevering zou worden opgelegd, kan deze schaarste op wat langere termijn de prijs van de hoog geschoolde arbeid opnieuw onder opwaartse druk zetten. Dat kan bedrijven ertoe aanzetten om hun produktiviteit te verhogen via arbeidsbesparende investeringen, waarvan de laagst geschoolde werknemers de eerste slachtoffers zouden worden. Op deze wijze dreigt arbeidsduurverkorting de werkloosheid van laag geschoolden uiteindelijk nog meer te doen toenemen.