Niet bij de ondernemingen, maar bij de gezinnen zit binnen de eurozone het grootste kredietvolume van financiële instellingen geparkeerd (zie tabel 1: Uitstaande kredieten). Voor beide groepen groeide tussen het eerste kwartaal van 1999 en het laatste kwartaal van 2000 het uitstaande kredietvolume fors aan: met 18,7% voor de ondernemingen en met 16,1% voor de gezinnen. Misschien enigszins verrassend moeten we de overheid als relatief onbelangrijk catalogiseren. Van kredietschaarste valt in deze cijfers duidelijk nog niets te merken.
...

Niet bij de ondernemingen, maar bij de gezinnen zit binnen de eurozone het grootste kredietvolume van financiële instellingen geparkeerd (zie tabel 1: Uitstaande kredieten). Voor beide groepen groeide tussen het eerste kwartaal van 1999 en het laatste kwartaal van 2000 het uitstaande kredietvolume fors aan: met 18,7% voor de ondernemingen en met 16,1% voor de gezinnen. Misschien enigszins verrassend moeten we de overheid als relatief onbelangrijk catalogiseren. Van kredietschaarste valt in deze cijfers duidelijk nog niets te merken. België sluit niet harmonisch aan op de eurogegevens. Drie belangrijke verschillen vallen op. Ten eerste, het uitstaande kredietvolume eind 2000 was groter bij de ondernemingen dan bij de gezinnen, hoewel begin 1999 de kaarten nog omgekeerd lagen. Ten tweede, de aangroei van de kredietverlening vertoonde tussen het eerste kwartaal van 1999 en het laatste van 2000 een veel uitgesprokener karakter bij ondernemingen (+25,6%) dan bij gezinnen (+2,8%). Ten derde, in het vierde kwartaal van 2000 deed zich in België al een opmerkelijke terugloop voor in het volume van kredieten die uitstaan bij ondernemingen.Oogt het volume van bij ondernemingen uitstaande kredieten aanzienlijk, de vraag hoe belangrijk deze kredieten zijn voor het totale financieringsplaatje van bedrijven weegt nog zwaarder door. Hierbij kunnen we uitgaan van de meest eenvoudige benadering van de balans van een onderneming: de actiefzijde geeft weer wat de onderneming bezit en de passiefzijde duidt aan hoe dat bezit wordt gefinancierd. In essentie gaat het daarbij om eigen en vreemd vermogen.Tabel 2 ( Financiering ondernemingen) geeft een overzicht van de totale passiefkant van de niet-financiële ondernemingen in de eurozone, de Verenigde Staten en Japan. De post leningen bevat vooral bankkredieten, terwijl handelskrediet in hoge mate verwijst naar betalingsuitstellen vanwege leveranciers. Schuldtitels omvatten het geheel van instrumenten die ondernemingen op de kapitaalmarkten kunnen brengen om geld op te halen (vooral obligaties). De post aandelen ten slotte verwijst naar het eigen vermogen van de ondernemingen. Deze laatste domineert nagenoeg overal - Japan vormt hier de uitzondering - het financieringsplaatje. In tabel 2 merkt u dat de post aandelen is scheefgetrokken. Dat is een gevolg van de forse stijgingen van de aandelenkoersen de voorbije jaren. Deze post komt immers tegen marktwaarde in deze tabel. Vandaar dat het zinvoller is om naar het geheel van de externe financieringsmiddelen van de ondernemingen te kijken (dus alles behalve de post aandelen). Dit gebeurt in tabel 3 ( Externe financieringen). Meteen blijkt dat bankleningen voor Japan en de eurozone ruim driemaal belangrijker zijn dan voor de Amerikaanse ondernemingen. Deze laatste trekken ruim één derde van hun financieringsbehoeften rechtstreeks aan op de kapitaalmarkten ( schuldtitels). Eurobedrijven komen slechts aan 6,4%, de Japanse ondernemingen aan 14,2%. Afzonderlijke cijfers voor België inzake de financieringspositie van ondernemingen zijn niet op een consistente wijze beschikbaar. Zo zit er bij ons in de cijferreeksen geen aparte post handelskrediet en dient er ook met de opsplitsing per grote groepen van ondernemingen goed te worden opgelet. Uit de fragmentaire gegevens blijkt evenwel dat bankkredieten voor de Belgische ondernemingen een nog belangrijker extern financieringsmiddel zijn dan binnen het geheel van de eurozone het geval is. Voor de niet-financiële ondernemingen mag 50% als een goed onderbouwde schatting worden beschouwd. Naarmate de schaal van de onderneming daalt, loopt dit percentage op.