"Als vandaag een kunstverzameling te koop wordt aangeboden, is het bijna zeker dat een Amerikaan er met de buit vandoor gaat." Wilhelm von Bode, de directeur van de Gemäldegalerie in Berlijn, maakte zich in 1902 zorgen over het tempo waarin kunstschatten uit Europese verzamelingen naar de Verenigde Staten verdwenen. In enkele decennia hadden steenrijke Amerikanen collecties opgebouwd die konden wedijveren met de beste kunstverzamelingen in Europa. Het was de tijd van John D. Rockefeller, Andrew W. Mellon, Andrew Carnegie en de Vanderbilts (zie kader). Er leek geen maat te staan op hun financiële mogelijkheden. De bankier John Pierpont Morgan was zo exorbitant rijk dat hij hele verzamelingen ineens kon opkopen.
...

"Als vandaag een kunstverzameling te koop wordt aangeboden, is het bijna zeker dat een Amerikaan er met de buit vandoor gaat." Wilhelm von Bode, de directeur van de Gemäldegalerie in Berlijn, maakte zich in 1902 zorgen over het tempo waarin kunstschatten uit Europese verzamelingen naar de Verenigde Staten verdwenen. In enkele decennia hadden steenrijke Amerikanen collecties opgebouwd die konden wedijveren met de beste kunstverzamelingen in Europa. Het was de tijd van John D. Rockefeller, Andrew W. Mellon, Andrew Carnegie en de Vanderbilts (zie kader). Er leek geen maat te staan op hun financiële mogelijkheden. De bankier John Pierpont Morgan was zo exorbitant rijk dat hij hele verzamelingen ineens kon opkopen. Veel Amerikaanse miljonairs kochten niet alleen kunst voor zichzelf, ze schonken hun collectie aan openbare instellingen of stichtten zelf een museum. De industrieel Henry Clay Frick was een van de actiefste kopers. In zijn testament liet hij vastleggen dat zijn imposante, met kunst gevulde herenhuis in New York na de dood van zijn echtgenote een museum zou worden. Hij liet ook een groot geldbedrag na om de verzameling verder uit te breiden. "Ik hoop dat het publiek minstens de helft van het genoegen beleeft aan mijn kunstbezit dat ik er zelf van heb gehad", vertrouwde hij zijn toekomstige biograaf toe. The Frick Collection is een trekpleister voor kunstliefhebbers uit de hele wereld. 36 topstukken uit de verzameling -- waaronder schilderijen van Memling, Van Eyck, Pieter Bruegel de Oude, Reynolds, Constable en Ingres -- zijn tot 10 mei tentoongesteld in het Mauritshuis in Den Haag. Het is de eerste keer dat zo'n grote groep werken uit The Frick Collection buiten New York te zien is. De Amerikaanse droom kwam uit voor Frick. Zijn vader, een mislukte schilder, had een bescheiden boerderij. Studeren interesseerde de jonge Frick niet. Hij werkte eerst als bediende en als boekhouder, maar hij was vastbesloten ondernemer te worden. In 1870 -- hij was 21 -- kocht hij zich in in het bedrijf van zijn neef, die kolenvelden bezat in Broad Ford, nabij Pittsburgh. Daar zat toekomst in, besefte Frick: hij kon cokes leveren aan de opkomende staalindustrie. Toen hij een lening aanvroeg om een cokesoven te bouwen, stuurde de bank een mijningenieur op hem af om het dossier te beoordelen. Het advies was positief: "De eigenaar is misschien een beetje te enthousiast over schilderijen, maar ik denk niet dat het kwaad kan. Zijn business kent hij door en door." Tegen eind 1873 bezat Frick tweehonderd ovens. Dat jaar brak in de Verenigde Staten de Grote Depressie uit. De staalindustrie kreeg harde klappen en de cokesprijs zakte in. Het was een van de moeilijkste periodes uit zijn leven, herinnerde Frick zich later. Maar de crisis was een buitenkans om de kolenvelden van zijn wanhopige concurrenten op te kopen. Toen de cokesprijs weer aantrok, bezat hij duizend ovens en een kwart van de kolenvelden rond Pittsburgh. Frick was dertig en miljonair. Hij trok de aandacht van Andrew Carnegie. Hij werd de exclusieve cokesleverancier van Carnegies staalfabrieken, en beide ondernemers werden aandeelhouder in elkaars bedrijven. Frick bleef kolenvelden opkopen. Hij kreeg de bijnaam King of Coke. Zijn ambitie was nog lang niet bevredigd: in 1886 kreeg hij ook de dagelijkse leiding van Carnegie Steel in handen. Het bedrijf groeide uit tot de grootste staalproducent ter wereld. In 1880 produceerde het 250.000 ton staal, in 1890 meer dan 1 miljoen ton. "Frick is een wonder. We willen allemaal Fricks", jubelde Carnegie. Frick vergat nooit dat hij de Grote Depressie had overleefd omdat hij het goedkoopst kon produceren. Hij was bezeten door kostenbesparingen. Geregeld kreeg hij te maken met stakingen, maar die sloeg hij met harde hand neer. In 1892 legde de vakbond van de staalarbeiders de staalfabriek in Homestead plat, omdat hij in de lonen wilde snoeien. Frick weigerde te onderhandelen. Toen de actievoerders de fabriek bezetten, stuurde hij een militie van driehonderd met Winchesters bewapende manschappen op hen af. Ook de stakers hadden wapens. Er brak een vuurgevecht uit, waarbij tien doden vielen. Het leger werd ingezet om de orde te herstellen. The Battle of Homestead is een van de zwartste bladzijden in de sociale geschiedenis van de Verenigde Staten. De relatie tussen Frick en Carnegie bekoelde. Carnegie steunde zijn CEO wel voor de buitenwereld, maar Frick wist dat hij niet te spreken was over zijn aanpak in Homestead. Na enkele tumultueuze jaren gaf Frick in 1899 zijn ontslag. Er volgde een bittere rechtszaak over de uitkoopsom. Na zijn vertrek bleef Frick in zaken, maar hij kon eindelijk meer tijd besteden aan zijn kunstverzameling. De collectie schilderijen van eigentijdse Amerikaanse en Europese kunstenaars die hij de jaren daarvoor had opgebouwd, deed hij de deur uit. Hij legde de lat hoger. Hij kocht zijn eerste Rembrandt, daarna volgden een Velázquez en een Vermeer. Veel aanwinsten kwamen uit Britse collecties. Dat was geen toeval: door de invoering van een erfbelasting in het Verenigd Koninkrijk stonden de fenomenale verzamelingen van de Britse adel onder druk. Als de eigenaar van zo'n collectie overleed, waren de erfgenamen vaak verplicht delen ervan te verkopen, om de successierechten te kunnen betalen. Frick kocht vijf schilderijen van Turner en Whistler, en legde de hand op meesterwerken van Constable, Gainsborough en Reynolds. Hij wist precies wat hij wilde. Uit twee Britse verzamelingen kocht hij het dubbelportret dat Anthony Van Dyck rond 1620 had gemaakt van Frans Snijders en zijn echtgenote Margareta, en hij bracht beide werken weer samen. In 1912 verwierf hij het portret van Thomas More door Hans Holbein. Drie jaar later kwam daar Holbeins portret van Thomas Crowell bij -- de man die verantwoordelijk was voor de onthoofding van More in 1535. Hij hing ze naast elkaar op. In 1902 verhuisde Frick van Pittsburgh naar New York. Hij huurde eerst het protsige herenhuis van William Henry Vanderbilt, na enkele jaren kocht hij een perceel tussen Fifth Avenue en East 70th Street om er een eigen woning op te trekken. "Vergeet vooral niet dat we zo veel mogelijk ruimte voor de schilderijen willen hebben", drukte Frick zijn architect op het hart. Er kwam een grote galerij, waar hij zijn topstukken ophing. Voor de elf doeken van de Franse rococoschilder Jean-Honoré Fragonard die hij had verworven uit de nalatenschap van John Pierpont Morgan, liet hij een speciale zaal bouwen. Frick besefte dat hij een interieur nodig had van hetzelfde niveau als zijn schilderijencollectie. Daarom begon hij ook beelden, porselein, antieke meubels en klokken te kopen. Frick trok in december 1914 in zijn nieuwe woning. Vijf jaar later overleed hij. Zijn echtgenote Adelaide bleef in het huis wonen tot haar dood in 1931. Na een verbouwing ging The Frick Collection in 1935 open. Fricks dochter Helen breidde de collectie uit met het geld dat haar vader had nagelaten. Een derde van de kunstwerken in het museum is aangekocht na de dood van Frick. De tentoonstelling in Den Haag put uit die latere aanwinsten: toen Frick zijn kunstbezit legateerde, verordende hij dat de werken het museum nooit mochten verlaten. Zelfs na zijn dood is Fricks wil wet. The Frick Collection. Kunstschatten uit New York loopt tot 10 mei in het Mauritshuis in Den Haag.WIM VER ELSTThe Frick Collection is een trekpleister voor kunstliefhebbers uit de hele wereld.