Van de grote bedrijven is 80 procent actief bezig met innovatie. Bij de middelgrote en kleine bedrijven is dat respectievelijk slechts 64 en 48 procent. Van die kleinere bedrijven werkt slechts 37 procent samen met een partner, terwijl dat bij de grote bedrijven bijna in 70 procent van de gevallen zo is.
...

Van de grote bedrijven is 80 procent actief bezig met innovatie. Bij de middelgrote en kleine bedrijven is dat respectievelijk slechts 64 en 48 procent. Van die kleinere bedrijven werkt slechts 37 procent samen met een partner, terwijl dat bij de grote bedrijven bijna in 70 procent van de gevallen zo is. Het is al langer bekend dat Vlaanderen kampt met de zogeheten innovatieparadox. We beschikken in diverse kennisinstellingen (universiteiten, hogescholen, sectorale kenniscentra, enzovoort) over een ruime waaier aan kennis, maar slagen er onvoldoende in om die kennis te valoriseren. De koppeling tussen de kenniscentra en het bedrijfsleven is onvoldoende uitgebouwd om tot een geslaagde wisselwerking te komen. Daardoor blijft het innovatiepotentieel structureel onderbenut. Een betere stroomlijning en samenwerking kunnen die paradox doorbreken, merkt Gilles Vandorpe van de Unizo-studiedienst op. Innovatie is cruciaal voor de economische groei en voor duurzame ontwikkeling van zowel de bedrijven als de maatschappij. De innovatieve slagkracht van een onderneming is niet enkel afhankelijk van de eigen inspanningen in onderzoek en ontwikkeling, maar is steeds meer het resultaat van de wisselwerking tussen interne en extern gegenereerde kennis. In 2003 lanceerde Henry Chesbrough de term 'open innovatie' als een bewust ondernemingsmodel om net de bestaande drempel van de innovatieparadox te pareren. Zeker in onze Vlaamse economie, die grotendeels steunt op tal van kleinere bedrijven en kmo's, kan niet worden verwacht dat ondernemingen louter op basis van hun eigen interne capaciteiten ideeën formuleren, zelf ontwikkelen, vermarkten en distribueren. Er is dus nood aan laagdrempelige, transparante en efficiënte vormen van innovatiesamenwerking, stelde Koen Debackere al in 2008 in het Vlaanderen In Actie-plan. In een innovatieonderzoek van Unizo ('Open innovatie op maat van de kmo') specifiek gericht op kmo's stelt 89 procent van de ondervraagde bedrijven dat ze het afgelopen jaar op een of andere manier bezig was met innovatie. Al verdient dat opmerkelijk hoge cijfer allicht een belangrijke nuance, als je weet dat slechts 11,5 procent van die bedrijven zegt zelf aan onderzoek en ontwikkeling te doen. Bijna 80 procent noemt zichzelf 'innovatieactief', evenwel zonder dat daarbij eigen onderzoek of ontwikkelingsactiviteiten aan te pas komen. Het gros van de innovatie bij kmo's bevindt zich in de verbetering van de organisatie- en werkmethodes (37,9 %), het aanboren van nieuwe markten wordt bij ruim 30 procent van de kmo's aangestipt als innovatieactiviteit. Nieuwe of verbeterde producten op de markt brengen, doen telkens een kwart van de bedrijven uit het onderzoek. Eén op de tien ondernemers geeft aan op geen enkele manier aan innovatie te doen, ondanks de ruime definitie die gehanteerd werd. Jonge bedrijven (minder dan twee jaar oud) zijn iets onderzoeksactiever dan hun oudere collega's. Maar er zijn geen opvallende verschillen in het innovatieprofiel voor de diverse leeftijdsgroepen. Naar het aantal personeelsleden is er wel duidelijk een impact: hoe meer personeel een bedrijf in dienst heeft, hoe 'innovatieactiever' het bedrijf is. Vooral industrie- en productiebedrijven tonen zich van hun innovatiefste kant. Aan de andere kant van het spectrum staat de bouwsector. Het permanent vernieuwen van producten en diensten noemt ruim de helft van de kmo's van strategisch belang. Het daarvoor in huis halen van specifieke geavanceerde kennis stipt opnieuw ruim de helft van de bedrijven aan als strategisch belangrijker. Kmo's zijn vragende partij voor een systeem of een cultuur van kennisdeling en kennistransfer, in wisselwerking met kennispartners zoals Henry Chesbrough met zijn 'open innovatie' stelde. Dat geldt zowel voor innovatieve vernieuwing voor de eigen onderneming als voor vernieuwingen voor de markt of sector. De top drie voor zulke samenwerkingspartners van kmo's zijn de eigen werknemers (70 %), leveranciers (62 %) en klanten (40 %). Niet verwonderlijk, omdat die uiteraard het dichtst bij de ondernemer betrokken zijn. Daarnaast is telkens bij een kwart van de bedrijven ook een rol weggelegd voor andere bedrijven, kennissen, beroepsorganisaties of consultants. Uit een parallel onderzoek van de universiteit Gent in samenwerking met Unizo over de toekomst van de leveranciers aan de kmo's blijkt dat die een belangrijkere rol kunnen bij innovatievragen van hun klanten. De turbulente tijden die de klassieke leveranciers doormaken en de strengere eisen voor kwaliteit, prijs en levering, hebben hen doen nadenken over hun positie in de markt. De meerderheid heeft hier al op gereageerd door zich te focussen op kleinere en complexere series, meer toegevoegde waarde en snelle levering. De vraag is echter of dit voor de toekomst zal volstaan. Productie van kleinere series vraagt meer omschakeling van de machines en is dus arbeidsintensiever. Bovendien vergt het ook extra flexibiliteit in het personeelsbestand, wat tot hogere lonen en lasten leidt. Een mogelijke strategie zou kunnen zijn dat ze proactief nieuwe producten of beter, onderdelen ontwikkelen, voor een groep van verschillende klanten met een gelijkaardig probleem. Leveranciers hebben bovendien een voetje voor, zo blijkt uit het initiële onderzoek. Kmo's zijn relatief onbekend met kenniscentra als het IWT en de provinciale innovatiecentra. Ook de sectorale kenniscentra en grote strategische onderzoekscentra zijn niet echt bekend in dit segment van bedrijven. Slechts 10 procent van de kmo's zegt al op de een of andere manier te hebben samengewerkt met het IWT of met een innovatiecentrum. Zowat 20 procent stipt aan dat de samenwerking met zulke centra of het IWT niet voldeed aan hun verwachtingen. Vooral de administratieve lasten en de te lange doorlooptijd om een project gerealiseerd te zien, is een doorn in het oog. Een andere drempel is het gebrek aan financiële middelen, wat voor zowat de helft van de kmo's een serieuze drempel is bij het zoeken naar samenwerkingsverbanden met externe partners. Ook het tijdsgebrek en het niet goed weten welke instantie de ondernemer kan bijstaan, wordt aangegeven als een te omzeilen klip. De eventuele juridische onduidelijkheden over intellectuele eigendom vormen vooral voor de onderzoeksactieve kmo's een probleem. Dat kmo's in de eerste plaats vragende partij zijn om meer in contact te komen met kenniscentra kan dus niet verbazen. Ook het voorzien van meer middelen en minder strenge criteria voor het bekomen van financiële steun staat hoog op het verlanglijstje. Systemen van eenmalige innovatiepremie's, of technologisch advies via de kmo-portefeuille scoren hoog als mogelijke maatregelen om innovatie te stimuleren. LIEVEN DESMETEen op de vijf kmo's zegt dat de samenwerking met het IWT niet voldeed aan de verwachtingen.