Neem de megafusies in de bankwereld en plaats daar succesvolle lokale nichespelers als VDK Spaarbank tegenover (zie kader). Of zie hoe kleine brouwers als Bavik (Trends 23 augustus) het hoofd bieden tegen de Inbevs en de Heinekens. Ook oliebedrijven of staalproducenten hoeven, volgens Ghemawat, niet per se uit te groeien tot giganten: "Een Mittal Steel heeft het rijk niet voor zich alleen, evenmin als een ExxonMobile of de overnemer van ABN Amro."
...

Neem de megafusies in de bankwereld en plaats daar succesvolle lokale nichespelers als VDK Spaarbank tegenover (zie kader). Of zie hoe kleine brouwers als Bavik (Trends 23 augustus) het hoofd bieden tegen de Inbevs en de Heinekens. Ook oliebedrijven of staalproducenten hoeven, volgens Ghemawat, niet per se uit te groeien tot giganten: "Een Mittal Steel heeft het rijk niet voor zich alleen, evenmin als een ExxonMobile of de overnemer van ABN Amro." In Mechelen groeit de jonge uitgeverij van kinderboeken, Baeckens Books (zie kader), jaarlijks met 40 %. De formule? Een hechte relatie met Vlaamse scholen, wat voor concurrerende grote, meestal buitenlandse uitgeverijen, niet zo voor de hand liggend is. Een ander voorbeeld is het platenlabel Petrol uit Halle (zie kader), uitgever van kaskrakers als Gabriel Rios en Flip Kowlier. Terwijl de voorbije jaren kleinere boeken- en muziekuitgeverijen in hun zeer competitieve markt kopje onder gingen, bewijzen Baeckens Books en Petrol dat lokale cultuurmakers versterkt uit de strijd tegen multinationals kunnen komen. Ze slagen door verschillen tussen landen, meer bepaald cultuurverschillen, creatief uit te baten. Zich laten opslokken door een Elsevier-Reed of een Bertelsmann, of gedoemd zijn te verdwijnen, is geen fataliteit. Pankaj Ghemawat, professor aan de Harvard Business School en de IESE Business School van de Universiteit van Navarra in Spanje, vindt dat de Fukujama's en Friedmans van deze wereld zich vergissen als ze pretenderen dat alleen de westerse democratie en de vrijemarkteconomie zaligmakend zijn en zullen zegevieren. Zoals de antiglobalisten het, volgens hem, bij het verkeerde eind hebben als ze vrezen dat de wereld een eenvormige grijze brij wordt, waarin de grote bedrijfsconcerns de plak zwaaien. Ghemawat: "Slechts een fractie van wat wij tegenwoordig 'globalisering' noemen, kan je zo bestempelen." De Harvardprofessor staaft die stelling met ' the 10 percent presumption'. Daarmee bedoelt hij dat, indien men hem zou vragen hoe sterk de internationalisering (zeg maar globalisering) is doorgedrongen in een bedrijfssector waarvan hij weinig afweet, hij steevast '10 %' zou gokken. "De kans dat het méér is, is quasi onbestaande," stelt Ghemawat, "want de meeste economische activiteiten zijn op de thuismarkt geconcentreerd." Minder dan 10 % van de telefoongesprekken zijn grensoverschrijdend. Zelfs chatten op het internet gebeurt vooral binnen de landsgrenzen. Idem dito voor private weldadigheid, immigratiestromen en toerisme. "Eenzelfde patroon zien we voor typisch economische activiteiten. In onze geglobaliseerde wereld wordt hooguit 10 % van de bedrijfspatenten neergelegd buiten de vertrouwde thuismarkt. Dat geldt evenzeer voor beursbeleggingen en zelfs voor directe buitenlandse investeringen, als je het totaal van de bedrijfsinvesteringen in de wereld bekijkt tussen 2003 en 2005." De enige uitzondering in absolute termen, vond Ghemawat voor de verhouding van internationale handel tot het bruto binnenlands product, waar het percentage naar 20 % neigt. Globalisering is dus relatief. Nochtans overheerst ook bij managers en MBA-studenten de overtuiging dat je maar best kunt fuseren en op overnametocht gaan om beter gewapend overeind te blijven in een geglobaliseerde wereldeconomie. "Vraag in die kringen of ze bij de top vijf in een bepaalde bedrijfstak die sterk onderhevig is aan globalisering, een verlaging of toename verwachten van marktaandeel. Gegarandeerd antwoordt de overgrote meerderheid: 'een stijging' en zelfs een 'snelle stijging'. Welnu, de realiteit is anders," benadrukt Ghemawat. Statistieken van het Center for Global Business Studies tonen, over een periode van grofweg tien jaar (tussen eind jaren tachtig en de eeuwwisseling) dat in wereldwijd actieve industrieën - halfgeleiders, frisdranken, entertainment, auto, luchtvaart en luchtvracht, olie, staal, cement, papier - het aantal spelers omhoogging. "In de automobielsector steeg het aantal automakers ten gevolge van een aantal nieuwkomers (vooral uit Azië) en door toename van de vraag in de wereldmarkt. Er zijn nu meer automerken dan in 1980. In de olie-industrie hadden megafusies (Exxon-Mobile, BP-Amoco-Arco, Total-Fina-Elf en Chevron-Texaco) geen ernstige impact op de concentratie aan verkoperszijde. In vele andere industrieën, aluminium of papier bijvoorbeeld, is het concentratieniveau vandaag kleiner dan vijftig jaar geleden," weet Ghemawat. De cijfers weerleggen volgens de Harvardprofessor ook het beeld dat globalisering synoniem zou zijn voor amerikanisering. "Je ziet geen VS-hegemonie, ook geen overwicht van andere nationaliteiten. Klasseer de top 100 van multinationals naargelang van hun oorspronkelijke nationaliteit. Dan zie je 59 Amerikaanse concerns in 1971 met 65,5 % marktaandeel, 44 in 1980 (50,2 %), 27 in 1990 (32,2 %) en 26 in 1999 met 31 % marktaandeel. Want Europese en Japanse groepen, en andere nieuwkomers grijpen hun kans." Ghemawat wijst ook naar de recente opkomst van Chinese en Indiase concerns, wat het vooroordeel doorprikt dat alleen westerse groepen de wereldmarkt inpalmen. "We zien nu pas de opkomst van wereldbedrijven uit de huidige groei-economieën"In die context van semi-globalisering is er plaats voor creatieve, kleine nichespelers in de thuismarkt. Er is ook ruimte om over de grenzen heen aan expansie te doen, inspelend op die diversiteit in de wereld. In een nieuw boek ' Redefining Global Strategy' (Harvard Business School Press) maakt Pankaj Ghemawat komaf met ideeën die momenteel 'in' zijn, zoals: globalisering leidt, vooral in belangrijke industriële sectoren, tot machtsconcentratie in handen van enkele megaspelers; bedrijven moeten meedoen aan de rage om groter te worden of zich vasthaken aan grotere kleppers. "Dat is niet zo. Uiteraard moet elke bedrijfstak, elke onderneming alle opties onderzoeken, dus ook of fusies en acquisities aangewezen zijn. Waar ik tegen inga, is dat men obsessioneel van schaalvergroting een strategische doelstelling op zich maakt en doet alsof dit de enige zaligmakende weg zou zijn. Verstandige managers onderzoeken ook de alternatieven voor een consolidatie, als zou blijken dat er voor hun sector een zekere logica zit in concentratiebewegingen." Waarom laten managers zich zo gemakkelijk op sleeptouw nemen door de waan van de dag? Vaak ontbreken precieze data, zodat bedrijfsstrategen verkeerde inschattingen maken over langetermijnevoluties in een bepaalde sector. Er spelen ook psychologische factoren: illusion of control, opgeklopt zelfvertrouwen bij succesvolle topondernemers, en de gedachte dat meer marktaandeel op zich bewijst dat men de juiste strategische keuze maakt. Meestal is het een combinatie van motieven. Het egostrelend bezig zijn met empire-building, niet willen achterblijven op concurrenten die samengaan, of blind vertrouwen in adviezen van belanghebbende partijen, zoals investment bankers. En dan is er de cash bonus, die bijvoorbeeld de CEO van Ford, Jacques Nasser, stimuleerde om General Motors in te lijven. Ghemawat: "Wie schaalgrootte - consolideren of niet?- tot de kernvraag verheft, loopt het risico meer creatieve opties te verzuimen. We leven in een wereld waarin markten wel steeds meer geïntegreerd zijn, maar waar grenzen en specifieke verschillen toch hardnekkig blijven bestaan." De wereld is multidimensionaal qua culturen, administratieve en politieke organisaties en economische mogelijkheden. "Wat telt is creativiteit, want we gaan niet naar een verschraling van het productaanbod. Er is plaats voor groot en klein. Meer globale integratie betekent niet dat groot en groter automatisch triomferen," schrijft Ghemawat. Erik Bruyland