Voor een progressieve internationalist die aan het einde van 2015 de wereld in ogenschouw neemt, is er weinig reden tot optimisme. De digitaal aangedreven technologische vooruitgang is oogverblindend en verandert de levens van steeds meer mensen in arme landen. Maar op drie belangrijke punten verkeert de globalisering in een verontrustend slechte toestand.
...

Voor een progressieve internationalist die aan het einde van 2015 de wereld in ogenschouw neemt, is er weinig reden tot optimisme. De digitaal aangedreven technologische vooruitgang is oogverblindend en verandert de levens van steeds meer mensen in arme landen. Maar op drie belangrijke punten verkeert de globalisering in een verontrustend slechte toestand. Het eerste gevaar komt van de vertraging van China. Door zijn monetaire beleid te versoepelen en nog maar eens een paar stimuleringspakketten te lanceren, kan China waarschijnlijk een harde landing vermijden. Er is echter weinig appetijt voor een schuldsanering, een hervorming van de staatsbedrijven en een aanpak van de monopolies, die een door de dienstensector en de consumenten geleide economie nu eenmaal nodig heeft om te gedijen. China lijkt af te stevenen op een futloze overgang: het oude groeimodel is dood en er komt geen nieuw in de plaats. De vertraging in China betekent dat de groei van het wereld-bbp moeite heeft om vaart te maken en misschien zelfs nog meer verslapt tot ver beneden de snelheid die nodig is om de deflatoire druk aan te kunnen. Dat zou de financiële markten van slag brengen en de plannen van de centrale bankiers dwarsbomen. De Amerikaanse Federal Reserve heeft de rente eind 2015 al wat verhoogd, maar er komt in 2016 beslist geen serieuze monetaire verstrakking. In de opkomende wereld komen kwetsbaarheden aan het licht. Er komt zeker een schuldencrisis (in Venezuela? Of zelfs in het door schandalen geplaagde Maleisië?). Nog meer ondermijnend is de ontgoocheling die ontstaat wanneer duidelijk wordt dat de economieën in de rijke wereld hun vitaliteit verliezen en dat de snelle inhaalgroei in de arme landen voorbij is. De tweede bekommernis voor de liberale orde schuilt in het beleid van de grootmachten. De Verenigde Staten plooien op zichzelf terug nu het wereldwijde veiligheidssysteem dat ze onderschrijven voor zijn grootste uitdagingen in een kwarteeuw staat, van Poetins avonturisme in Syrië tot China's spierballenvertoon in de Zuid-Chinese Zee. De kruisraketten van Poetin kunnen er niet voor zorgen dat de Syrische dictator Bashar al-Assad de oorlog wint, maar ze verlengen wel het conflict, zwengelen de exodus van vluchtelingen aan en verergeren de grootste politieke crisis waar de Europese Unie ooit voor stond. In heel Europa wordt 2016 een jaar van bittere wederzijdse beschuldigingen en geleidelijke aftakeling. Het derde risico komt van het interne beleid in de rijke wereld. Aan beide zijden van de oceaan is het vertrouwen van de bevolking in de overheid in elkaar gezakt en genieten populistische politici steeds meer aantrekkingskracht. Eén streng van dat populisme is van het xenofobe rechtse soort (naar het voorbeeld van Donald Trump in Amerika en Marine Le Pen in Frankrijk). Een andere is van het linkse, pluk-de-rijkentype (kijk naar Jeremy Corbyn, of Bernie Sanders, de zelfverklaarde democratische socialist die Hillary Clinton uitdaagt voor de nominatie van de Democraten). Al die mensen profiteren van de ontgoocheling van de bevolking in het pragmatische politieke centrum. Een aantal van die bekommernissen kan een kort leven beschoren zijn. In Groot-Brittannië zit Corbyns partij in de oppositie en in de penarie. De Amerikaanse voorverkiezingen worden vaak gekenmerkt door luidruchtig populisme, dat moet wijken voor centrumpolitiek zodra de algemene verkiezingen naderen. Een aantal risico's neutraliseren elkaar. De Europese vluchtelingencrisis dwingt op korte termijn tot een verhoging van de openbare bestedingen en dat zwengelt op zijn beurt de vraag aan en matigt de economische weerslag van de tragere groei in China. Het zou echter een zware vergissing zijn te hoopvol te zijn, niet het minst omdat 2016 een jaar is van verkiezingen waarbij heel wat op het spel staat, gaande van de Amerikaanse presidentsverkiezingen tot het Britse referendum over het lidmaatschap van de EU. Daarom moet wie gelooft in een open, progressieve wereldorde doortastender opkomen voor haar verdediging. Boven aan de lijst staat Obama zelf. De Amerikaanse president is nog altijd de belangrijkste individuele verdediger van het progressieve internationalisme. Om dat in stand te houden moet het laatste jaar van zijn ambtstermijn er een worden van een actievere Amerikaanse betrokkenheid, vooral bij de crisis in Syrië. Obama draagt een buitengewone verantwoordelijkheid, maar alle politici die waarde hechten aan open internationalisme moeten ervoor strijden. Ze moeten de valse logica achter de vreemdelingenangst aan de kaak stellen. Van de Amerikaanse ervaring in het begin van de 20ste eeuw tot de Vietnamese bootvluchtelingen zijn de bewijzen onomstootbaar: op voorwaarde dat ze snel geïntegreerd worden in de arbeidsmarkt, is een golf van migranten een economische zegen. Het is beschamend dat de Duitse kanselier Angela Merkel de enige Europese leider is die moedig genoeg is om daarvoor te pleiten. Als de EU wil overleven, moeten anderen zich aan haar zijde scharen. Tezelfdertijd vragen de echte problemen van lusteloze groei en stagnerende lonen om stoutmoedige oplossingen, niet om populistische lapmiddelen. De grote ideeën bestaan, van grootscheepse investeringen in infrastructuur tot ingrijpende hervormingen van het onderwijs en de opleiding. Maar al te veel politici zitten gevangen in een kortzichtige mentaliteit: wat sleutelen aan een bestaand model hier, wat klungelen met een belastingtarief daar. Wil het marktvriendelijke internationalisme kunnen gedijen, dan is een klein kaliber niet goed genoeg. In 2016 is het tijd voor radicalisme in het centrum. De auteur is hoofdredacteur van The Economist.Zanny Minton Beddoes