KIND VAN DE REKENING

In ons wereldbeeld roepen nog maar weinig taferelen heftige emotionele reacties op. Maar televisiebeelden van kinderen, die voor een hongerloon in de sweatshops van de derde wereld twaalf uur per dag de lapjes van een voetbal aaneennaaien, beklijven nagenoeg iedereen.

Dat we moreel verontwaardigd zijn als we vanuit onze comfortabele salonzetel dergelijke beelden te zien krijgen, ligt voor de hand: we kunnen ons niet inbeelden dat onze eigen kinderen in dergelijke middeleeuwse werkomstandigheden zouden terechtkomen. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de aanklacht van Stefan Durwael van Fair Trade (zie Mensen achter de Cijfers, blz. 20) tegen kinderarbeid bij het maken van voetballen in Sialkot (Pakistan) op heel wat sympathie kan rekenen. Zoals zo vaak evenwel staat een hoge graad van emotionaliteit ook hier een juiste analyse in de weg.

Wie nauwkeurig de loonevoluties op lange termijn analyseert, zal tot de conclusie komen dat de drijvende kracht achter deze ontwikkelingen de arbeidsproductiviteit is. Een hogere productiviteit zorgt ervoor dat mensen hogere lonen krijgen en een aangenamere levensstandaard kunnen opbouwen. Productiviteit is op haar beurt afhankelijk van de middelen waarmee mensen kunnen werken. Twee elementen spelen daarbij een cruciale rol: enerzijds de voorraad moderne kapitaalgoederen waarover ze kunnen beschikken (zeg maar de investeringen van ondernemingen), anderzijds de scholingsgraad. Dat de loonniveaus in een aantal derdewereldlanden het bestaansminimum hebben overstegen, heeft dus alles te maken met de investeringen van “harteloze multinationals” en “hebberige lokale ondernemers” en bitter weinig met miljarden ontwikkelingshulp en tonnen medelijden. Ook het feit dat overheden meer middelen kanaliseerden naar onderwijs droeg zijn steentje bij. Maar wat moeten wij met ons collectief schuldgevoel rond kinderarbeid als we vaststellen dat Pakistan ruim 25% van zijn bruto binnenlands product (BBP) aan bewaping besteedt en niet eens 3% aan onderwijs?

De berekening van Durwael en Fair Trade dat het betalen van dertien frank per gestikte voetbal volstaat om een gezin waar beide ouders werken te laten rondkomen zonder kinderarbeid, is verdienstelijk maar naast de kwestie. Voor de volwassenen is die uitkering vaak het beste wat ze kunnen krijgen. Indien zij elders meer konden verdienen, zouden zij die kans met beide armen grijpen.

Hebben Durwael en Fair Trade de consequenties van hun dertien frank wel goed doordacht? Ligt het in hun bedoeling om prijzen en loonniveaus vast te leggen voor respectievelijk producten en taken? Dat zoiets leidt tot sociaal-economische achteruitgang en dictatuur, heeft het voormalige Oostblok aangetoond. De enige objectiviteit en rechtvaardigheid die rond prijsvorming bestaat, komt tot uiting via marktprijzen.

Een ander gevolg van die dertien frank is dat er veel gegadigden zullen toestromen om een loon te ontvangen dat – we slaan een slag – het driedubbele bedraagt van de gangbare weddes in Sialkot. Ofwel zakt het Fair Trade-loon daardoor opnieuw tot op het niveau dat wordt gedicteerd door de relatieve productiviteit ter plaatse, ofwel creëert men een lokale arbeidselite die maatschappelijk gezien de gangbare verhoudingen aldaar zal scheeftrekken. We hebben het dan nog niet eens over de verhoudingen die zullen ontstaan tussen de stikkers in Sialkot en degenen die op het Pakistaanse platteland in nog veel grotere armoede leven. Enkele uitverkorenen, vele verworpenen: dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Bovengaande elementen geven ook aan waarom de zo vaak gehoorde kreet om eenvormige internationale arbeidsstandaarden even utopisch als onwenselijk klinkt. Utopisch, omdat de verleiding van individuele landen om toch maar te “ontduiken” heel groot zal zijn, aangezien op die manier meer mogelijkheden ontstaan inzake sociaal-economische ontwikkeling. Onwenselijk, omdat men zo een nog groter schisma zal creëren in vele ontwikkelingslanden: artificieel opgetrokken arbeidsstandaarden zullen op de eerste plaats een beperkt deel van de werknemers in de industrie – vooral geconcentreerd in en rond de grote steden – ten goede komen en de kloof met het overgrote deel van de bevolking, dat zich nog altijd op het platteland bevindt, verder vergroten.

Uiteindelijk bestaat het enige zinnige beleid ten aanzien van kinderarbeid – en de ontwikkeling in derde wereld – erin om die landen zelf te overtuigen van twee wezenlijke punten. Eén: zorg voor een aantrekkelijk investeringsklimaat en een open economie. Twee: investeer in onderwijs, met klemtoon op basisonderwijs. Alleen zo kan een snelle economische ontwikkeling plaatsgrijpen die aanzienlijke doorsijpeleffecten produceert: de tewerkstelling in en rond de steden stijgt, waardoor de lonen toenemen; dat fenomeen zuigt mensen aan vanuit de overbevolkte agrarische sector, waardoor ook daar de lonen kunnen stijgen. Zo’n ontwikkelingsbeweging is geen wishful thinking, maar reëel én structureel.

Johan Van Overtveldt

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content