Iedereen kent de cijfers ondertussen stilaan uit het hoofd: voor de periode 2008-2060 voorspelt de studiecommissie voor de vergrijzing dat de extra kosten voor de vergrijzing met 8,2 procent van het bruto binnenlands product (bbp) stijgen. Op voorwaarde dat de economische groei de komende 50 jaar 1,5 procent bedraagt. Groeit de economie sneller, dan nemen de vergrijzingskosten af. Maar als de economische groei slechts 1,25 tot 1,50 procent bedraagt, stijgen de extra kosten nog eens met 1,3 procent.
...

Iedereen kent de cijfers ondertussen stilaan uit het hoofd: voor de periode 2008-2060 voorspelt de studiecommissie voor de vergrijzing dat de extra kosten voor de vergrijzing met 8,2 procent van het bruto binnenlands product (bbp) stijgen. Op voorwaarde dat de economische groei de komende 50 jaar 1,5 procent bedraagt. Groeit de economie sneller, dan nemen de vergrijzingskosten af. Maar als de economische groei slechts 1,25 tot 1,50 procent bedraagt, stijgen de extra kosten nog eens met 1,3 procent. Economen zijn na de zwaarste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog niet echt optimistisch. Voor België ligt de potentiële groei eerder in de buurt van de 1,5 procent en valt zeer vaak ook lager uit. We hoeven dus niet te veel te rekenen op de economische groei om de kosten van de vergrijzing op te vangen. Er moet elders naar oplossingen (en dus geld) worden gezocht. Voor Unizo is het duidelijk: een afgeslankte en efficiëntere overheid is een van de voorwaarden om het welvaartsniveau te behouden. Een rapport van de Unizo-studiedienst - Een efficiënte overheid als motor voor welvaart en welzijn - analyseert daarom het Belgische overheidsbeslag en reikt oplossingen aan. "Door de crisis is het tekort op de begroting hoog opgelopen en de enorme uitdaging van de vergrijzing dient zich aan", zegt Unizo-topman Karel Van Eetvelt. "Om ons sociaal model te vrijwaren, moeten we ofwel de belastingen verhogen ofwel de overheid afslanken en efficiënter maken. Iedereen begrijpt dat wij voluit voor de tweede optie kiezen." Unizo berekende dat de Belgische overheid een structurele besparingsinspanning van 9,87 miljard tot 19,45 miljard euro nodig heeft om tot een optimaal overheidsbeslag te komen. De werkgeversorganisatie gaat voor die cijfers te rade bij studiewerk van de econoom Wim Moesen. Die berekende wat de ideale overheidsquote is voor België. Dat is - gesimplifieerd - het geldbedrag dat de overheid van haar bevolking int. Die quote verschilt immers van land tot land. Zo heeft de voorkeur van de burgers een invloed op de omvang van de overheid. In Scandinavische landen bestaat een grote bereidheid om veel belastingen te betalen om een omvangrijke publieke dienstverlening in stand te houden. In de VS wil de bevolking meer taken uitbesteden aan de privésector. Ook de gezinsgrootte in een land is bepalend voor de omvang van de overheid. In landen met kleine gezinnen is de vraag naar een sterk uitgebouwde sociale zekerheid (bijvoorbeeld het door de overheid voorzien van rusthuizen) groter dan in landen met grote gezinnen. Daarnaast zijn open economieën gevoeliger voor conjuncturele schokken en verwachten de burgers dat de overheid een beleid voert om die schokken op te vangen, bijvoorbeeld via een uitgebreid systeem van inkomensgarantie. Op basis van die paramaters berekende Moesen dat de ideale overheidsquote voor België 43,66 procent van het bbp bedraagt. "Die 43,66 procent moet worden afgezet tegen de werkelijke overheidsquote", zo stelt Kristof Willekens, auteur van het Unizo-rapport. De overheidsquote in brede zin is het geheel aan fiscale en parafiscale ontvangsten en de niet-fiscale ontvangsten van de overheid. Niet-fiscale ontvangsten zijn bijvoorbeeld dividenden van overheidsbedrijven, boetes, enzovoort. De overheidsquote in enge zin is de som van de fiscale en parafiscale ontvangsten. Volgens de berekeningen van Moesen bedraagt de reële Belgische overheidsquote in brede zin 49,1 procent van het bbp, in enge zin 46,4 procent van het bbp. Willekens: "Met andere woorden, de omvang van de overheid in België is te groot. Respectievelijk met 2,74 procent van het bbp of 5,4 procent van het bbp. Trekken we dat door tot het nominale Belgische bbp van 360 miljard euro dan komen we uit op een optimale overheid wanneer er tussen 9,87 en 19,45 miljard euro wordt bespaard." Volgens dezelfde berekeningen scoren buurlanden als Duitsland en Nederland veel beter dan België. Duitsland bevindt zich 10 procent onder het optimale gewicht, Nederland 7 procent. Vooral Nederland is een referentie voor België. "Het heeft zeel veel gelijkenissen met ons land, onder meer als het gaat over de gezinsgrootte en het open karakter van de economie." Een vergelijking met Nederland leert dat België in verschillende deeltakken van de overheid systematisch meer mensen tewerkstelt. In Nederland werken slechts 120.000 mensen voor de staat, te vergelijken met 160.000 mensen die werkzaam zijn in de administratie van de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten. Het Belgische probleem is bekend: de interne staatsorde van ons land is als een lasagne met de federale overheid, de gewesten en gemeenschappen, de provincies, en de steden en gemeenten. Unizo pleit er dan ook voor om in de richting van drie beleidsniveaus te werken zoals in Duitsland en Nederland. Dan blijven over: gemeente, provincie/deelstaat en de staat. "Op Vlaams niveau wordt er in die richting gewerkt", benadrukt Willekens. "Een sterke Vlaamse overheid aangevuld met bescheiden provincies en sterke en gefuseerde steden en gemeenten. Steden en gemeenten kunnen aan bestuurlijke daadkracht winnen door een nieuwe fusiegolf. Doordat het aantal middelgrote tot grote steden en gemeenten stijgt, wordt de bovenlokale bestuursproblematiek voor een groot deel opgelost." In het voorstel van Unizo spelen de provincies alleen nog een coördinerende rol in die beleidsdomeinen die territoriumgebonden zijn zoals rampenbestrijding. Dat moet aanzienlijke besparingen opleveren. Volgens Unizo volstaan de vele bestuurslagen en de versnippering van bevoegdheden niet als verklaring voor de matige bestuurlijke efficiëntie in België. "Het gebrek aan marktwerking binnen de publieke diensten heeft eveneens een nefaste invloed", zo luidt het. Dat gebrek aan marktwerking wordt vooral duidelijk in de bijzonder lage uitbestedingsgraad van overheidstaken. Die is in België amper goed voor 3,7 % van het bbp, zowat het laagste cijfer van de OESO-landen. In Zweden is dat bijna 10 procent, in Groot-Brittannië meer dan 14 procent. In België worden vooral facilitaire diensten het minst uitbesteed. De overheden in ons land geven er de voorkeur aan om liever zelf ondersteunende taken zoals onderhoud van gebouwen uit te voeren. Of ze gaan via overheidsconsultants advies geven aan bedrijven. Volgens Unizo is die lage uitbestedingsgraad vooral bedoeld om mensen bij de overheid tewerk te stellen die anders wellicht in de werkloosheid terecht zouden komen. "Een redenering met een pervers effect", aldus Willekens. "De overheid moet zo meer geld besteden, wat de efficiëntie doet afnemen. En een hoge overheidstewerkstelling is ook verstorend voor de privémarkt die het straks opnieuw moeilijk zal krijgen om de juiste mensen aan te trekken. Hen met geld lokken is niet meer zo evident want de loonverschillen tussen overheid en privésector behoren tot het verleden." Voor Unizo is meer marktwerking bij de overheid dan ook een absolute prioriteit. Het vermarkten van publieke diensten ligt zeer gevoelig en dus "kan voorlopig worden volstaan met een doorgedreven uitbesteding van facilitaire diensten". Unizo pleit ook voor meer private onderaannemers bij de VDAB of De Lijn. Door alain mouton