De voorzitter van de Europese Centrale Bank, Wim Duisenberg, beleeft barre tijden. In het zog van de rentedaling op 9 april 1999 legde de anders zo onderkoelde Nederlander tegenstrijdige verklaringen af. Was het nu echt afgelopen met de daling van de rentevoeten of bleef de deur open voor verdere ingrepen? Vormde de daling van de koers van de euro tegenover de dollar een bron van bezorgdheid voor de ECB of helemaal niet?
...

De voorzitter van de Europese Centrale Bank, Wim Duisenberg, beleeft barre tijden. In het zog van de rentedaling op 9 april 1999 legde de anders zo onderkoelde Nederlander tegenstrijdige verklaringen af. Was het nu echt afgelopen met de daling van de rentevoeten of bleef de deur open voor verdere ingrepen? Vormde de daling van de koers van de euro tegenover de dollar een bron van bezorgdheid voor de ECB of helemaal niet? Het warm en koud blazen van Wim Duisenberg over deze en andere kwesties werkte enkele collega's in het zeventienkoppige directiecomité van de ECB op de heupen. Zwaargewichten als de Duitser Hans Tietmeyer en de Fransman Jean-Claude Trichet gingen ongewoon ver in hun kritiek op het optreden van Duisenberg. De anders zo behoedzame bankiers waren deze keer opmerkelijk scherp. Bovendien speelde dit verbale gevecht zich af tegen een achtergrond van een onmiskenbaar gebrek aan eensgezindheid omtrent de rentedaling met 0,5%-punt van 9 april. Vooral de centrale banken van Duitsland en Spanje maakten onverbloemd duidelijk dat ze deze ingreep inopportuun achtten. Het valt moeilijk te geloven dat een door de wol geverfd centraal bankier als Duisenberg plots zijn kalmte verloor toen hij geconfronteerd werd met de vragen van een persmeute. Het probleem met Duisenberg en zijn ECB zit dieper en heeft te maken met de vaststelling dat het nog altijd niet duidelijk is waar nu echt de prioriteiten voor de ECB en het monetaire beleid liggen.Ook de Europese monetaire autoriteit zal een keuze moeten maken uit wat econoom Paul Krugman van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in een recent artikel in Foreign Affairs omschreef als het trilemma van de internationale financiële realiteit. Dit trilemma kwam vooral in de jaren zestig nadrukkelijk aan de orde in het economisch onderzoek. Aan de basis ervan ligt het verlangen dat de meeste monetaire autoriteiten koesteren om drie objectieven na te streven: een zelfstandig monetair beleid, een stabiele wisselkoers en volledige convertibiliteit van de munt of - wat op hetzelfde neerkomt - geen controles op het internationale geld- en kapitaalverkeer. Het trilemma bestaat er nu in dat deze drie objectieven nooit gezamenlijk gerealiseerd kunnen worden. Twee van deze drie objectieven zijn - in welke combinatie ook - perfect verzoenbaar, maar de drie tegelijk kan niet.Het voorbeeld van de Amerikaanse centrale bank, de FED, is dienaangaande erg instructief. De FED kiest al decennia voor het duo muntconvertibiliteit en zelfstandig monetair beleid. De wisselkoers laat de FED, behoudens uitzonderlijke omstandigheden van ups of downs, ijskoud. Indien de FED de dollarkoers wel erg belangrijk vindt, moet ze een nieuwe keuze maken. Ofwel geeft ze het op om haar monetair beleid te bepalen in functie van interne Amerikaanse objectieven (bijvoorbeeld inflatie en werkloosheid). Ofwel voert ze kapitaalcontroles in die haar toelaten de bewegingen in en uit de dollar vrij nauwgezet te controleren. Veel pleit voor de keuze van de FED. Kapitaalcontroles zijn een relikwie uit het verleden. Ze vormen een broednest van inefficiëntie, afremming van expansiemogelijkheden en bovenal corruptie door en verrijking van een kleine elite. Het is ronduit bespottelijk te stellen dat - zoals sommigen dezer dagen doen - de Aziatische crisis voorkomen had kunnen worden indien er voldoende controle was geweest op de internationaal rondzwervende kapitalen. De ongelimiteerde convertibiliteit van de dollar is een zegen voor de Amerikaanse economie en voor de wereld in het algemeen.Het tweede objectief waarvoor de FED steevast kiest, is het zelfstandige monetaire beleid. Sedert het gouverneurschap van Paul Volcker (dat startte op het einde van de jaren zeventig) richt de Amerikaanse centrale bank daarbij de beleidsblik allereerst op het in toom houden van de inflatie. Maar ook de werkloosheid en de stabiliteit van het Amerikaanse en wereldwijde financiële systeem spelen voortdurend mee in de uitstippeling van de monetaire politiek. Vooral onder Volckers opvolger Alan Greenspan verwierf de FED zich inzake haar bekwaamheid in deze beleidsvoering een reputatie die naar het goddelijke neigt. Als de Amerikanen één man in de bloemen willen zetten naar aanleiding van de langste expansiefase van hun economie uit de naoorlogse geschiedenis, is het wel Alan Greenspan. Van zo'n gouden medaille zijn Wim Duisenberg en de ECB nog mijlenver verwijderd. Om ooit tot die status op te klimmen, zullen ze eerst en vooral een keuze moeten maken. In het belang van de hele eurozone moeten we hopen dat men kiest voor een zelfstandig monetair beleid én het afwijzen van om het even welke vorm van wissel- en kapitaalcontroles.Kortom, de koers van de euro moet volledig overgelaten worden aan de markten. Een aantal politici, onder wie de Belgische eerste minister Jean-Luc Dehaene (CVP), die in de aanloop naar de start van de Economische en Monetaire Unie (EMU) voortdurend uitbazuinde hoe sterk de euro wel zou zijn, gaat dan wel met de billen bloot. JOHAN VAN OVERTVELDT