Kerktoren of kwaliteit?

Daan Killemaes
Daan Killemaes Hoofdeconoom Trends

Wil de student naar een universiteit onder zijn kerktoren, dan haalt minister van Onderwijs Luc Van den Bossche hem daar weg. Kwaliteit moet voortaan het universitaire aanbod bepalen. De minister en de rectoren hebben daarvoor een gezamenlijk plan. Maar hoe maak je dat waar op het terrein?

Democratiseren en decentraliseren. Sinds de jaren ’60 waren dat de werkwoorden in het hoger onderwijs. Universiteiten kwamen naar de student toe. Het resultaat is, zo bleek uit een enquête door de KU Leuven vorige week, dat studenten een universiteit onder hun kerktoren verkiezen. Maar een universiteit of hogeschool op fietsafstand noemt Vlaams minister van onderwijs Luc Van den Bossche (SP) geen democratisering. Van den Bossche: “Kwaliteit is de grote uitdaging waarvoor het hoger onderwijs vandaag staat, willen we onze concurrentiekracht behouden. Kwaliteit moet dus ook de doorslag geven bij de organisatie van het aanbod.”

Die kwaliteit lijdt echter onder de versnippering. In verspreide slagorde wordt het nagenoeg onmogelijk om de ontluikende kennismaatschappij bij te benen en de grondstof van de toekomst (kennis) te ontginnen. Bij het huidige tempo verdubbelt de kennis om de zeven jaar. De verschillende universitaire centra in Vlaanderen zijn te klein om de evolutie in alle disciplines te volgen. Dat is een nutteloze verspilling van middelen. De hogescholen werden al gehergroepeerd in 29 entiteiten. Nu is het de beurt aan de universiteiten. Van den Bossche: “Wij missen in Vlaanderen toonaangevende universitaire expertisecentra die inzake kwaliteitszorg en innovatie van onderwijs mee een ondersteunde rol kunnen spelen.”

De slinger moet daarom

terug naar meer volwaardige universiteiten. De tijd dat elke universiteit zowat alles kon aanbieden om zoveel mogelijk studenten te lokken is voorbij. Een volwaardige universiteit moet zich uitstrekken over verschillende onderzoeksdomeinen waarin men toonaangevend is. Anders gezegd, ze moet zich ontplooien tot een center of excellence. Alleen op die manier is kwalitatief onderwijs mogelijk. Want, de kwaliteit van het onderwijs spruit voort uit de kwaliteit van het onderzoek. Van den Bossche: “De verbinding onderwijs-onderzoek moet nog meer aandacht krijgen.” De personeelsbezetting (zowel kwalitatief als kwantitatief) in een bepaald domein vormt hierbij een doorslaggevend criterium. “Een kwantitatieve uitbreiding van het universitair onderwijsaanbod is niet te verantwoorden. Verschuivingen van aanbod naar universiteiten met kennis-expertise zijn wél aan de orde. Nieuwe opleidingen moeten een antwoord bieden op nieuwe vormen van kennis.”

Ondermaatse opleidingen kunnen sneuvelen

Minister Van den Bossche zette met deze uitgangspunten Roger Dillemans, ererector van de KU Leuven, eind 1995 aan de slag om het universitair landschap te hertekenen. “Optimalisering van het universitair aanbod in Vlaanderen” kreeg Dillemans officieel als mission statement mee. Medio 1997 leverde dat een eerste rapport op, meteen een basisdocument voor een debat in de Vlaamse universitaire wereld. Stof tot discussie wás er. Elke universiteit verdedigde haar verworvenheden. Dillemans was de man van Leuven, wat vooral bij de VUB argwaan losweekte. En was het geen verkapte besparingsoperatie? Studenten vreesden voor de sociale gevolgen (op het vlak van huisvesting en vervoer) van een mogelijke sanering. Weerstanden die wegebden naarmate de scherpe kantjes van de hertekeningen werden afgeschaafd. Plannen om tot drie universiteiten of één universiteit Vlaanderen te komen, gingen overboord. Bekomen werd dat regionale gebondenheid en levensbeschouwelijk pluralisme ook vandaag de universitaire ontwikkeling beïnvloeden.

In dat opbouwend sfeertje

kwamen Van den Bossche en de rectoren begin dit jaar tot een consensus. Voor het eerst sinds de universitaire expansie van de periode 1965-1971 kwamen de rectoren en de politieke beleidsverantwoordelijken nog eens tot een akkoord. Een synthese werd in april 1998 voorgelegd aan de Vlaamse regering. De hertekening van het universitair aanbod is dus nu voor de eerste maal in het besluitvormingsproces aanbeland.

Drastische ingrepen zitten er voorlopig niet in. Het ging dan ook over optimaliseren, niet over rationaliseren, hoewel… Zegt Van den Bossche: “We moeten naar een systeem waarbij ondermaatse opleidingen kunnen sneuvelen en waarbij de onderwijsbevoegdheid naar andere instellingen kan verschuiven.” Maar de ingrepen op het terrein blijven vooralsnog vrij beperkt. Ze vormen een eerste stap in een langdurig proces. De neerslag van het verdere overleg schrijft Roger Dillemans momenteel uit in een tweede rapport.

Kandidaturen eenvormiger, licenties gespecialiseerder

Wie het goed voor heeft met de kwaliteit van het hoger onderwijs kan om één hekel punt niet heen: de lage slaagcijfers (zie kader: Hooggeschoold Vlaanderen). Een betere oriëntatie en heroriëntatie van studenten kan door eenvormiger en polyvalentere kandidaturen. Dat maakt een vlottere doorstroming naar andere instellingen en richtingen makkelijker. Van den Bossche: “De Vlaamse studenten zijn nog te weinig mobiel. Versnippering van inspanning door te veel specifieke kandidaturen moet worden vermeden.”

Eenvormige kandidaturen maken ook meer interuniversitaire samenwerking mogelijk. Het concept volwaardige universiteit houdt immers ook in dat kandidatuurinstellingen moeten functioneren binnen grensoverschrijdende universitaire netwerken. Een integratie die nodig is om aan te pikken bij de ontwikkeling van de kennismaatschappij en de internationalisering.

Moeten de kandidaturen eenvormiger, dan moeten de licenties gespecialiseerder en vakgerichter. Diezelfde ontwikkelingen eisen van universiteiten ook dat ze zich uitgespoken profileren naar hun specifieke sterktepunten in hun onderzoek en onderwijs, de startfilosofie van de centers of excellence indachtig. Van den Bossche: “Het zullen deze zwaartepunten zijn die in de toekomst het kwaliteitsprofiel van de instellingen zullen sturen. Studenten moeten, zeker vanaf de tweede cyclus, in de toekomst bewust kunnen kiezen voor die instelling waar hoogstaand onderwijs wordt gegeven én waar het beste onderzoek wordt geleverd en geïntegreerd in de opleiding. De tweede cyclus vormt de eigenlijke vakopleiding.”

Kwaliteit betekent ook

een volwaardige uitbouw van de derde cyclus en van een vierde cyclus: de universitaire permanente vorming. Leren is steeds meer een levenslang proces. De overheid ziet zich slechts een beperkte rol spelen en wil geen permanente financiering op zich nemen. Wel een zogenaamde stimulansfinanciering verzorgen tot deze component van universitair onderwijs op eigen benen staat.

Minister en rectoren zijn het er ook over eens dat kwaliteit een verdere verzelfstandiging van instellingen noodzaakt. Wat dit alles betekent voor de financieringsmechanismen van de universiteiten is nog niet aangekaart. Stemmen gaan in elk geval op om meer financiële prikkels in te voeren als onderdeel van de kwaliteitszorg. Het huidige financieringssysteem louter op basis van het aantal inschrijvingen is niet langer volwaardig.

DAAN KILLEMAES

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content