Kanker is niet één ziekte, het zijn er vele. Toch was het arsenaal van de oncologen lang beperkt: de tumor wegsnijden, hem bestralen of hem vernietigen met chemotherapie die zowel de goede als de kwaadaardige cellen doodt. Dankzij de nieuwe kankermedicijnen verandert dat. Tegenwoordig bestrijden wetenschappers specifieke mutaties die specifieke vormen van kanker in gang zetten.
...

Kanker is niet één ziekte, het zijn er vele. Toch was het arsenaal van de oncologen lang beperkt: de tumor wegsnijden, hem bestralen of hem vernietigen met chemotherapie die zowel de goede als de kwaadaardige cellen doodt. Dankzij de nieuwe kankermedicijnen verandert dat. Tegenwoordig bestrijden wetenschappers specifieke mutaties die specifieke vormen van kanker in gang zetten. De doorbraak kwam er ruim tien jaar geleden, toen de Californische biotechfirma Genentech een middel op de markt bracht dat borstkankercellen aanpakt die te veel van de HER2-proteïne bevatten. In 2001 kreeg de Zwitserse geneesmiddelenfirma Novartis een vergunning voor Glivec, dat chronische myeloïde leukemie bestrijdt door een ander eiwit aan te vallen. En Avastin, dat in 2004 in de Verenigde Staten geïntroduceerd werd door Genentech, hongert tumoren uit door de bloedvaten waarmee ze gevoed worden af te snijden. Roche, een ander Zwitsers geneesmiddelenconcern, nam trouwens in 2009 Genentech en zijn goed gevulde kankerpipeline over. De kankergeneesmiddelen kunnen de grote farmabedrijven uit een heikele si-tuatie redden: producten met een omzet van meer dan 50 miljard dollar verliezen in de komende drie jaar hun octrooibescherming. Intussen pompt de sector veel geld in klinische tests met geneesmiddelen tegen kanker. Dat is een onderdeel van een verschuiving in de manier waarop de grote geneesmiddelenfirma's te werk gaan. Jarenlang vertrouwden ze op blockbusters die veel mensen tegelijk behandelden. Nu investeren ze in een meer gepersonaliseerde geneeskunde: biotechnologie waarmee kleinere groepen van patiënten efficiënter behandeld kunnen worden. De nieuwe geneesmiddelen verkopen goed. Vorig jaar bracht Glivec 4,3 miljard dollar op. Herceptin - het HER2-medicijn - en Avastin van Roche deden nog beter met respectievelijk 6 miljard en 7,4 miljard dollar. Vorig jaar gaf de Amerikaanse Food and Drugs Administration een goedkeuring voor Provenge, een geneesmiddel dat ontwikkeld werd door Dendreon, dat het immuunsysteem leert om prostaatkanker te bestrijden. In maart gaf de FDA toelating voor Vervoy, een geneesmiddel van Bristol-Myers Squibb dat melanoom bestrijdt. Het probleem, vanuit een maatschappelijk standpunt, is dat al die geneesmiddelen afschuwelijk duur zijn. Vorig jaar waren volgens Medco de biotechmedicijnen verantwoordelijk voor 70 procent van de toename van de kosten van het geneesmiddelenverbruik in de VS. Kanker speelt een grote rol in die kostenstijging. Het Amerikaanse Institute of Health voorspelt dat de uitgaven voor alle kankerbehandelingen zullen toenemen van 125 miljard dollar vorig jaar tot minstens 158 miljard dollar in 2020. De nieuwe geneesmiddelen werken ook lang niet allemaal. Zo verklaarde de FDA in december nog dat de neveneffecten van Avastin veel zwaarder wegen dan de povere impact die het medicijn op borstkanker heeft. Genentech is het daar niet mee eens en gaat tegenargumenten aanvoeren tijdens een hoorzitting in juni. Sommige experts zijn echter van oordeel dat de nieuwe kankermedicijnen slechts kleine voordelen bieden tegen een exorbitant hoge prijs. Een behandelingskuur met Provenge kost bijvoorbeeld 93.000 dollar en verlengt het leven gemiddeld met vier maanden. Het Britse National Institute for Health and Clinical Excellence, een openbare instelling die geneesmiddelen beoordeelt op hun rendabiliteit, heeft al verscheidene geneesmiddelen afgekeurd. Maar dat heeft zoveel patiënten en redacteurs van tabloids overstuur gemaakt dat de Britse regering een fonds in het leven heeft geroepen om die dure oncologische geneesmiddelen toch te kunnen betalen. De regering wil nu tegen 2014 een 'op waarde gebaseerde prijszetting' invoeren, waarbij de geneesmiddelen niet alleen op hun doeltreffendheid getaxeerd worden maar ook op hun 'bredere maatschappelijke voordelen'. In de Verenigde Staten worden de zaken anders aangepakt. Het openbare gezondheidsprogramma voor senioren mag daar, bij de beslissing over terugbetaling, geen rekening houden met de prijs. Onder dat zogenoemde Medicare Part B-terugbetalingsstelsel geldt dat hoe meer een geneesmiddel kost, hoe meer de voorschrijvende oncoloog krijgt. De privéverzekeraars laten intussen de patiënten een groter deel van hun geneesmiddelenfactuur zelf betalen. Maar geneesmiddelenbedrijven nemen vaak een deel van het aandeel van de patiënten over en voorkomen zo dat het publiek zich boos zou maken over uit de pan rijzende kosten. Ook als de prijzen hoog liggen, is de vraag naar kankermedicijnen grotendeels onelastisch, zegt Tomas Philipson van de universiteit van Chicago. Stervende patiënten hechten begrijpelijkerwijs een hoge waarde aan het leven en ze zijn dan ook bereid meer te betalen voor een behandeling. Dat betekent dat de ondernemingen gewoon krasse prijzen kunnen vragen. COPYRIGHT: THE ECONOMIST