De Fortis-saga heeft nogmaals aangetoond hoe gevaarlijk en schadelijk ministeriële kabinetten kunnen zijn voor een goed openbaar bestuur. In de Fortis-commissie telde men liefst 73 telefoongesprekken tussen kabinetsmedewerkers. Een van de weinige conclusies was dat deze contacten totaal overbodig, nutteloos en ongepast waren. De burger keek geërgerd naar de onbetamelijke werking van de macht. Cabinetards leven als eendagsvliegen. Zij zitten met hun neus op de actualiteit. In het Fortis-dossier hebben zij zich dagen druk gemaakt en een psychose veroorzaakt, in materies waarvoor zij grondwettelijk of anderszins geen enkele bevoegdheid hebben.
...

De Fortis-saga heeft nogmaals aangetoond hoe gevaarlijk en schadelijk ministeriële kabinetten kunnen zijn voor een goed openbaar bestuur. In de Fortis-commissie telde men liefst 73 telefoongesprekken tussen kabinetsmedewerkers. Een van de weinige conclusies was dat deze contacten totaal overbodig, nutteloos en ongepast waren. De burger keek geërgerd naar de onbetamelijke werking van de macht. Cabinetards leven als eendagsvliegen. Zij zitten met hun neus op de actualiteit. In het Fortis-dossier hebben zij zich dagen druk gemaakt en een psychose veroorzaakt, in materies waarvoor zij grondwettelijk of anderszins geen enkele bevoegdheid hebben. Niemand treft hierin persoonlijk schuld. Aan de top van de staat wordt hard gewerkt. En kabinetten zijn een oud zeer. Het systeem waaide over vanuit het napoleontische Frankrijk. Boekdelen zijn nodig om het kwaad te beschrijven en voor de afslanking of de afschaffing van de kabinetten werden tal van voorstellen ingediend en uitgewerkt. Guy Verhofstadt kwam met overtuigende argumenten in zijn twee Burgermanifesten. De groots opgevatte Copernicushervorming van het openbaar bestuur draaide echter uit op een dure en door iedereen erkende mislukking. Van de vooropgezette afslanking van kabinetten bleef niets over. Merkwaardig is dat er bij veel gezagdragers in alle partijen een consensus bestaat over de omvang en de diepte van de kwaal. Men beseft ook wel dat de politisering van de hogere ambtenarij bijna uitsluitend te wijten is aan het kabinettenstelsel en aan de daaraan verbonden benoemingen en promoties. Men ziet ook in dat het bestaan van ministeriële kabinetten aanleiding geeft tot een immense demotivering van de administratie. Parallelle gezagsstructuren worden in het leven geroepen als een scherm tussen de administratie en de minister. Kabinetten zijn geen organen van de staat. Zij zijn niet onderworpen aan de strikte deontologie van de ambtenaar. De ambtenarij zorgt voor continuïteit in de dossierbehandeling en beantwoordt aan strikte regels. Kabinetten zijn door geen regels gebonden. Bij ontslag van de minister, verdwijnen alle persoonlijke dossiers naar onbekende oorden. Kabinetten vallen niet onder de verplichting van openbaarheid van bestuur. Ten slotte moet gewezen worden op de verantwoordelijkheid van kabinetten in de hoogoplaaiende reglementitis, een ongeneeslijke ziekte waarbij alles in reglementen, decreten en verordeningen wordt omgetoverd. Ambtenaren zijn per definitie conservatief en zijn niet geneigd continu nieuwe regels te bedenken en in te voeren. Reglementitis is dan ook een modekwaal van kabinetten. Dit alles is voldoende bekend. Veel politici geven toe dat het systeem niet goed werkt. De vraag is eigenlijk: hoe diep moet de machteloosheid van de administratie zinken om de overtuiging hard te maken dat met een invalide instrument geen enkele sanering mogelijk is? Ambtelijk leven zonder kabinetten bestaat. Als men even over de grenzen kijkt, stelt men vast dat vele westerse democratieën erin slagen een beter bestuur te organiseren zonder ministe-riële kabinetten. Nederland, Engeland, Duitsland en de Scandinavische landen leven in voorspoed met een goed bestuur zonder ministeriële kabinetten. Het kan dus. Maar wie zal bij ons de moed hebben om daarin het initiatief te nemen? In een benepen jaar, waarin de overheid en burgers vruchteloos de eindjes aan elkaar trachten te knopen, moet de vraag naar goed en efficiënt bestuur aan de orde gesteld worden. Na de zomer zal de regering voor een grote budgettaire uitdaging staan. Men zal gelukkig en dankzij Europa en de euro niet meer doen wat men in 1974 gedaan heeft, met name 200.000 ambtenaren in dienst nemen om de werkloosheid op te vangen, wat heeft geleid tot de dramatische opwaartse spiraal van de overheidschuld. Men zou zich eerder moeten inspireren op wat België deed na de crisis van de jaren dertig. Men besliste toen de werking van het openbaar bestuur grondig te hervormen en richtte een onafhankelijke commissie op, de commissie-Camu. Die heeft geleid tot de depolitisering van het openbaar ambt en de oprichting van het vast wervingssecretariaat. Een paar dagen geleden verschenen in de pers de conclusies van een ernstige internationale studie met tabellen over de 'werkgelegenheid in algemeen bestuur'. België staat als eerste in de lijst. Van de achttien belangrijkste industrielanden - China en India niet inbegrepen - is België de kampioen, met 9,9 procent van de actieve bevolking werkzaam in algemeen bestuur, uitgedrukt in percentage van de totale werkgelegenheid. Japan heeft het laagste percentage: 3,2 procent. Het gemiddelde van de achttien is 6,2 procent. Bij het opmaken van het crisisbudget na de zomer, zullen een paar lineaire aanpassingen niet volstaan. Het zal gaan over de grond van de zaak: de efficiëntie van het openbaar bestuur. Een goed, deugdelijk en efficiënt bestuur zorgt automatisch voor gezonde openbare financiën. Als wij niet willen blijven vegeteren in rustige, democratische middelmatigheid, zullen onze gezagdragers moeten optreden. (T) DE AUTEUR IS jurist.Jean-Pierre De Bandt